Opinie

    • Jannetje Koelewijn

De lotgevallen van de familie Vogel (II)

Piet Vogel is tachtig jaar, maar hij ziet nog vlijmscherp voor zich wat er gebeurde op die dinsdag in mei, tien dagen na de Bevrijding. Hij zat met zijn oudere zusje Truus in de open laadbak van een vrachtwagen, hun kleine zusje Tiny van drie was stijf van angst tegen haar aan gekropen. Samen beschermden ze haar met het haastig meegenomen beddengoed tegen de wind. In de cabine zat hun moeder, tussen twee mannen in. „De geluiden die ik hoorde, het gestommel en geschreeuw, en wat ik voor vertrek allemaal gezien had – toen begreep ik er niets van, maar later...” Zijn stem hapert. Als hij zich herpakt heeft: „Daar kun je dus allerlei fantasieën over hebben, over wat daar gebeurd is. Het was vreselijk hoe er met de vrouwen die ze oppakten werd omgegaan.” Hij was een jongetje van zeven.

De vader van Piet Vogel, schreef ik afgelopen maandag, was gearresteerd door de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij had voor de Duitsers gevochten aan het oostfront. Terug in Nederland, vanaf januari 1945, ging hij als zogenaamd Duitse sergeant Duitse soldaten commanderen om de huizen van gedeporteerde mensen leeg te maken. Hij verkocht hun spullen voor eigen gewin. „Geen enkel moreel besef”, zegt Piet Vogel. „Heel driftig, hij kreeg overal ruzie.” Zijn moeder: volgzaam, timide.

Ze reden van Bodegraven naar het westen, via Zwammerdam naar Alphen aan den Rijn. Daar, bij de poort van het kamp voor NSB-vrouwen, stopte de vrachtwagen. Hun moeder moest uitstappen en werd afgevoerd. Het beddengoed ging mee. Dát beeld, van zijn moeder die wordt afgevoerd, doodsbang tussen die twee mannen in, zwanger van haar zevende kind, kan hij na drieënzeventig jaar nog steeds niet uit zijn hoofd zetten. Keek ze nog om? „Nee”, zegt hij. „Nee. Ze keek niet meer om.”

De vrachtwagen reed door naar Noordwijk, maar van die rit weet Piet Vogel niets meer. Hoe lang ze onderweg waren: verdwenen. Dat zijn zusjes bij het meisjeskamp Don Bosco werden afgezet: vergeten. De herinneringen beginnen weer vanaf het moment dat hij door een ijzeren poort gaat en aan de hand van een man of een vrouw een grote stenen trap op wordt geleid. „Ik was in een klooster of een kerk terechtgekomen. Er was een kamer met allemaal bedden en daar moest ik me uitkleden. Schoenen en sokken had ik niet, ze hadden me op mijn blote voeten meegenomen.” Hij kreeg het laatste bed dat nog niet bezet was en daar lag hij dan, stijf van de spanning. „Het viel me op dat niet één kind huilde of om zijn moeder riep.”

Een zaal vol jongetjes tussen de zes en de tien. Hoe ze van overheidswege gestraft werden voor wat hun vaders en moeders misdaan hadden – daarover maandag meer.

Jannetje Koelewijn (j.koelewijn@nrc.nl) schrijft deze zomer de wisselcolumn met Petra de Koning.
    • Jannetje Koelewijn