Opinie

    • Ykje Vriesinga

De een stilt verdriet met drugs, de ander met werk

Wat werkt Deze zomer bespreekt NRC-redacteur Ykje Vriesinga methodes om beter te werken. Deze keer: hoe ga je om met tegenslag?

Illustratie stella Smienk

Ik schenk een kopje thee uit de thermoskan die ze ’s ochtends altijd klaarzet voor het bezoek, ga aan de keukentafel zitten en klap mijn laptop open. Ik ben bij mijn oma – of beppe zoals wij in het Fries zeggen – om haar levensverhaal op te schrijven. Welke les uit haar inmiddels 94-jarige leven, vraag ik om te beginnen, wil zij graag meegeven aan haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen?

Mijn beppe denkt even na en zegt dan: „Je mag verdriet hebben over de tegenslagen op je pad. Maar morgen begint het werk weer.”

Zo ken ik mijn beppe. Recht door zee en met een enorm doorzettingsvermogen. Opgedaan als dochter van een zeilschipper, die als de wind wegviel zijn kinderen aan wal zette om het skûtsje voort te slepen. Werk wat ook werd verzet door trekpaarden, die je langs het water kon huren. Als je daar geld voor had.

Omwentelingen

Mijn beppes anekdotes over vroeger doen me altijd weer beseffen welke gigantische veranderingen er voorbij trekken in een lang mensenleven. In iets minder dan een eeuw zijn we gegaan van schippersfamilies die met wind- en spierkracht dagenlang bezig waren om een lading suikerbieten van Friesland naar Groningen te krijgen, naar een wereld waarin een zak popcorn, besteld via internet, in een oogwenk bezorgd kan worden door een onbemande drone.

Dat brengt ook omwentelingen mee in hoe we denken over thema’s als werk, vrije tijd en geld. Wie kan zich in het Nederland van nu bijvoorbeeld nog voorstellen dat kinderen van dertien in de kost gingen bij een wildvreemd boerengezin? „Om zes uur molk ik de koeien”, vertelt mijn beppe. „De rest van de dag hielp ik in de huishouding.”

Haar salaris: één gulden per week.

Doorgaan

Tijdens ons gesprek verzamel ik langzaam de moed voor een vraag die ik alleen durf te stellen omdat ik bang ben dat ze er niet meer eeuwig zal zijn. „Hoe ging beppe ermee om dat twee van haar vijf kinderen jong zijn overleden?”

Mijn beppe begint te huilen. Nu weet ik weer waarom we in onze familie dit soort vragen niet stellen. In haar antwoorden die langzaam volgen valt me op dat ze focust op het positieve. En op doorgaan, ondanks alles.

„Je gaat door een paar hectische dagen, er moet van alles gebeuren”, vertelt ze over de dood van mijn tante. „De dag na de begrafenis ging het dorpshuis, waar wij uitbaters van waren, weer open. Je kunt er zelf mee zitten, maar voor andere mensen gaat het leven verder.”

Tegenwind

Als ik zie hoe mijn beppe is omgegaan met de tegenwind in haar leven, snap ik mijn vader beter. Hij is een workaholic. Zo noemt hij zichzelf ook. „Mijn werk is mijn hobby”, zegt hij altijd. Vrije tijd en vakanties, dat vindt hij maar moderne fratsen.

Ook hij heeft de nodige tegenslagen gekend. Toen zijn bedrijf en ons huis afbrandde, bleef hij kalm. „Iedereen leeft nog. De rest lossen we op.” Hij bouwde zijn bedrijf weer op, om een aantal jaren later failliet te gaan en het nieuwgebouwde huis te verliezen.

Begin 2000 overleed mijn moeder. Sindsdien heeft hij nooit meer een dag vakantie genomen, uitgezonderd van drie bezoeken aan vrienden en familie in het buitenland.

De een is verslaafd aan drank of drugs, de ander aan werk. Nog altijd wil mijn vader miljonair worden. Maar stiekem denk ik dat hij dan helemaal niet zou weten wat hij moet doen.

Afkicken

Ik zie mezelf als een product van mijn familie én een kind van mijn tijd. Na de dood van mijn moeder huilde en rouwde ik. Maar ik voelde ook een grote onrust en ik zag slechts twee manieren om die kwijt te raken: a) mezelf klemzuipen in de kroeg, tot de zon opkwam, of b) een tweede studie erbij doen.

Ik koos voor het laatste. Het hielp dat ik genoot van het studeren. Of juist niet. Op een dag, na een intense studeerperiode, stond ik in tranen voor de pakken cruesli in de supermarkt, overweldigd door de keuze tussen de variant met gedroogde banaan of zonder.

De psycholoog - een vorm van hulp die mijn beppe of vader nooit zou opzoeken - schatte in dat ik op de rand van een burn-out zat. Waarschijnlijk had zij het in ons eerste gesprek al door, maar mij kostte het een paar sessies om te ontdekken wat er onder die steeds dikkere deken van piekergedachten verstopt zat: het verdriet om mijn moeder.

In mijn werkende leven ben ik – na herhaalde, soms harde lessen – steeds verder afgekickt van mijn workaholic-neigingen, al zeg ik het zelf. Een paar praktische trucjes helpen daarbij. Maar uiteindelijk helpt vooral de vraag stellen wat ik nou echt belangrijk vind.

En hoe zit dat met jou? Wat is jouw relatie met werk, met vrije tijd, met geld? Zie je een patroon in je familie? Of invloeden van denkbeelden van nu? Misschien iets om over te filosoferen tijdens je vakantie. Als je überhaupt vrij neemt natuurlijk.

    • Ykje Vriesinga