Privérestaurants passen niet langer bij hypermodern Beijing

In de metropool Beijing is geen plek voor smoezelige eethuizen, maar sommige eigenaressen willen van geen wijken weten, ervaart Garrie van Pinxteren.

Jiaozi, Chinese gevulde deeglapjes die in Beijing overal worden verkocht. Foto iStock

Het is een huiskamerrestaurant in de meest letterlijke zin van het woord. Tegen de wit betegelde wand staat een bed. Daarop doet een man met ontbloot bovenlijf een middagdutje. Zijn vrouw serveert ondertussen lunch aan twee knappe jonge vrouwen die er vlak naast op krukjes aan een houten tafel zitten.

Ze dragen een kek beige uniform met bruine biesjes, want ze werken bij het prestigieuze Nationale Theater van Beijing. Het enorme, eivormige gebouw steekt nog net uit boven de daken van een hutong, de traditionele laagbouw van Beijing waarin het restaurant is gevestigd.

Je loopt het restaurant zo voorbij. Twee vuilwitte hondjes liggen voor de ingang te slapen, je moet eerst voorzichtig over ze heen stappen. Voor de deur staan twee stoelen die zo afgetrapt zijn dat je ze zelfs niet bij het grofvuil zou durven zetten.

Gevulde lapjes deeg

Als de zon op het raam schijnt, zie je vaag de contouren van de karakters die vroeger op het raam stonden. Je kan nog net lezen dat ze hier jiaozi hebben, gevulde lapjes deeg. Het is een van de simpelste, goedkoopste en lekkerste gerechten van de hoofdstad. Ik ben er dol op, en juist in dit soort eenvoudige privérestaurantjes vind je de lekkerste. Ze zijn meestal zelfgemaakt, en dan smaken ze toch anders dan de jiaozi die je in de nieuwe restaurantketens krijgt . Die zijn overal als paddenstoelen uit de grond geschoten. Ook best oké, maar zelden echt geweldig.

Lees ook: Chinezen met geld ontvluchten de smog

Het gaat er ook veel persoonlijker aan toe in zo’n klein restaurant. De inrichting is niet zo gelikt en standaard en iedereen die van lekker en informeel eten houdt komt er. Je kan er altijd een praatje met de eigenaar maken. Maar dit soort kleine ondernemingen wordt steeds schaarser – het stadsbestuur blijkt er lang niet zo dol op te zijn als ik.

Ook de tekst op de ruit moest er ruim een jaar geleden opeens vanaf. Kleine restaurants en andere privébedrijfjes als deze pasten niet langer in de hypermoderne stad die Beijing graag wilde worden. De overheid begon daarom met een grootscheepse opschoningscampagne: weg met de winkels, die de regering een ‘ziekte van de stad’ noemde. Soms bouwde de gemeente muren en schuttingen voor de ingangen, om de ontsierende zaakjes in elk geval aan het oog te onttrekken. Beijing was op weg een financieel en technologisch centrum te worden, een moderne stad à la Singapore.

Nationale elite

Het hielp niet mee dat de kleine zaakjes vaak gerund werden door mensen van buiten de stad. Het stadsbestuur ziet die mensen liever gaan dan komen. Beijing, met zijn ruim 20 miljoen inwoners, wil liever ruimte bieden aan de hoogopgeleide nationale elite.

Van de campagne werd ook de eigenaresse van het jiaozi-restaurant het slachtoffer. Ze mag eigenlijk niet verder. Ze doet daarom maar alsof ze helemaal geen restaurant heeft. Dat lukt slecht: de politie komt steeds weer op haar inpraten dat ze nu toch echt haar deuren moet sluiten.

Waarom doet ze dat eigenlijk niet? Druk is het allang niet meer. De veiligheidsmaatregelen in haar buurt zijn zo streng geworden, dat toeristen niet meer automatisch langs haar restaurant lopen. Daardoor draait ze met verlies, want de huur is hoog. Ze betaalt ruim 10.000 euro per jaar: veel geld voor zo’n schoenendoos. Maar ja, toen de toeristen vroeger nog wel kwamen, lag die schoenendoos op een ideale plek.

Ze heeft de hele jaarhuur vooraf moeten betalen, dus nu vertrekken is ook zonde. Ze weet bovendien niet goed waar ze dan van moet leven. Ze komt uit het noordoosten van China, de fabriek waar ze werkte is begin jaren negentig al over de kop gegaan.

„Wij hebben het veel moeilijker dan de mensen uit Zuid-China”, zegt ze. „Die hebben vaak nog een stuk boerenland. Wij arbeiders niet.” Gelukkig heeft ze nog wel een huis in haar geboortestad. Maar daar is nog minder werk voor een vrouw van boven de veertig. Voorlopig blijft ze hier.

    • Garrie van Pinxteren