Foto Annabel Oosteweeghel

‘Ik proef steeds minder weerstand tegen religie bij onze generatie’

Alain Verheij (29) liet een klassiek protestantse, evangelische én een gereformeerde kerk achter zich. De theoloog schrijft in zijn boek God en ik over hoe relevant de Bijbelverhalen volgens hem toch nog altijd zijn.

Heeft het christendom onze geïndividualiseerde en seculiere wereld nog iets te melden? Kennelijk hebben we er steeds minder behoefte aan: er gaan steeds weer minder mensen naar de kerk. In 1971 ging volgens CBS-cijfers 37 procent van de Nederlanders naar de kerk, nu is dat nog 16 procent.

Maar dat maakt het christendom nog niet irrelevant, zegt theoloog Alain Verheij. In zijn onlangs verschenen boek God en ik vertelt hij aan de hand van zijn eigen levensloop over de tradities en de Bijbelverhalen over Jozef, Jona en Isaak die volgens hem nog niets aan zeggingskracht hebben ingeboet.

Op een Rotterdams terras vertelt Verheij – donkere krullen, beginnend baardje – over zijn worsteling met het geloof: op 29-jarige leeftijd heeft hij al drie verschillende kerkgenootschappen achter zich gelaten. Toch springt hij graag voor religie in de bres. Hij ergert zich aan rechtse politici die zich beroepen op de zogenoemde joods-christelijke cultuur met als doel moslims buiten te sluiten. En ook wil hij ‘het mooie uit de Bijbel’ teruggeven aan de seculiere lezer die er langzaam van vervreemd is geraakt. „Ik hoop dat mijn boek een brug kan zijn tussen christenen en de groep die denkt: christenen, dat zijn toch die gekkies?”

Religie wekt tegenwoordig weinig weerzin meer op en kan het best vergeleken worden met een exotische hobby, schrijft Verheij: als je buurman graag cricket speelt, vind je het best grappig om daar een verhaal over te horen – misschien ga je zelfs een middagje met hem mee om te kijken. Een christelijke buurman kan volgens Verheij op eenzelfde reactie rekenen. Toch is de ondertitel van zijn boek ‘Wat je als weldenkende 21e-eeuwer kunt leren van de Bijbel’, waarmee hij eigenlijk zegt: let op, we zijn heus niet dom.

Is geloven dan toch iets anders dan een grappige exotische hobby?

„Dat ‘weldenkend’ is bedoeld als knipoog naar ons zelfbeeld. Wij westerlingen vinden onszelf zo geavanceerd dat we zoiets achterhaalds als het geloof niet meer nodig hebben. Dit betekent ook dat niet-westerlingen, die overwegend gelovig zijn, dus wel achterlijk moeten zijn. Deze tegenstelling is natuurlijk vals, maar wel een ingebakken cliché. Alsof technische vooruitgang betekent dat er ook minder religie zal zijn. In dat opzicht is het ook een beetje spottend bedoeld.

„Toch proef ik steeds minder weerstand tegen religie bij onze generatie, maar eerder ‘verstrooide heimwee’: een fijne herinnering aan die ene oma die nog uit de kinderbijbel voorlas. De afkeer is weg, het christendom is gewoon een van de vrijblijvende opties geworden op de spirituele markt, waar je ook mindfulness kan vinden. En daar ben ik niet zuur over, dat zie ik als een kans om het christendom opnieuw onder de aandacht te brengen.”

Toch blijven de kerken leeglopen en zie je vooral Boeddhabeeldjes in de vensterbanken staan.

„Yvonne Zonderop schreef recentelijk het boek Ongelofelijk. Over de verrassende comeback van religie. Zij kan de titel van haar boek niet kwantitatief hard maken – ze komt niet met CBS-cijfers waaruit blijkt dat we ineens weer gelovig worden. Maar uit tal van gesprekken die zij heeft gevoerd, blijkt wel dat we minder afwijzend tegenover het christendom staan. Zonderop en ik bespeuren ook meer een omslag in denken dan in een hele maatschappelijke structuur. Mijn leeftijdsgenoten gaan niet op zondag naar de kerk. Maar ik merk als theoloog in mijn dagelijkse gesprekken met mensen dat de belangstelling weer toeneemt. Laat ik het zo zeggen: ik denk dat ik twintig jaar geleden niet door een uitgeverij was benaderd om dit boek te schrijven.”

Lees ook het interview met Yvonne Zonderop: ‘Geloven is zo gek nog niet’

Dan is het nog de vraag of we blij moeten zijn met die comeback. Religie werd en wordt ook politiek gebruikt om een onderscheid te maken tussen ‘wij’ en ‘zij’.

„In elk werelddeel zie je nu dat het religieus nationalisme weer groeit, het idee van ‘één volk, één religie’. Er is hindoenationalisme in India, moslimhaat in Myanmar, en Turkije wordt onder Erdogan steeds islamitischer. Religie wordt op deze manier een symbool van uitsluiting. Mijn missie is om geloof uit de hoek van de politieke identiteitssfeer weg te halen, juist omdat ik het gevaar daarvan zie. Ook tegen rechtse politici in Nederland zou ik willen zeggen: als je ons geloof ‘kaapt’, kaap dan ook onze waarden, zoals barmhartigheid en inclusiviteit.”

In je tienertijd stapten je ouders over van een klassiek protestantse kerk naar een pinkstergemeente. Hoe heb je dat ervaren?

„De pinksterkerk heeft een grote aantrekkingskracht, ze stofzuigen iedereen op die in zijn eigen kerk is vastgelopen. Er heerst een heel heftige geloofsbeleving: mensen staan met de handen in de lucht uitbundig te zingen en er horen strenge leefregels bij. De preken in deze kerk waren manipulatief, je werd opgeroepen om geld te doneren aan de kerk of je diepste geheimen op te biechten aan een oudste, zoals dat heet. En ze waren radicaal: er wordt je gezegd dat alles wat niet gericht is op God of Jezus fout is.

„Popmuziek wordt bijvoorbeeld gezien als een vehikel van de duivel om jouw brein te beheersen. Heel zwart-wit en niet compatibel met het dagelijks leven. Ik heb al mijn ‘wereldse’ cd’s in de vuilnisbak gegooid. Ik luisterde alleen nog maar naar christelijke muziek, evangelical heavy metal bijvoorbeeld. ‘Abortion is murder!!’ werd er dan gegrunged.

„Mijn ouders en ik lazen ook alleen nog maar christelijke romans. In die boeken werd dan gebeden op cruciale momenten, niet gevloekt of gesekst en ontstonden er spontaan geloofsdiscussies tussen de personages. In de evangelische kerk gaat men ervan uit dat er iedere dag wonderen kunnen gebeuren. Er zijn mensen die elke dag geloven dat ze morgen van hun suikerziekte zijn genezen, die lijden ook nog eens door valse hoop. Geloof moet geen opium voor het volk zijn.”

Gereformeerden zijn geduldig. Die denken niet elke dag dat God de hele tent in de fik gaat zetten.

Alain Verheij

Kun je je een moment herinneren waarop je dacht: ik stop hiermee?

„Een van die momenten was een sterfgeval van een niet-gelovige docent, die ook nog eens naar ‘foute’ muziek van de Rolling Stones luisterde. Ik kon niet geloven dat hij naar de hel zou gaan. Dat was een kruispunt. De geloofswegen van mij en mijn ouders gingen uiteen. Ik ben toen gereformeerd geworden. Ook mijn ouders gaan inmiddels niet meer naar die kerk, zij zijn nu ‘mild evangelisch’.”

Wat trok je aan in die gereformeerde kerk?

„Evangelische diensten zijn spontaan. Mensen vallen spontaan op de grond, krijgen lachkicks, wat ‘lachen in de geest’ wordt genoemd. Er was een massa-emotionaliteit, bij binnenkomst moest je je al schrap zetten omdat je niet wist wat er allemaal kon gebeuren. In een gereformeerde dienst gebeurt er nooit iets verrassends. Gereformeerden zijn uiterst geduldig. Die denken niet elke dag dat God de hele tent in de fik gaat zetten. De Gereformeerde Kerk bood me ook intellectuele uitdaging, er werden veel oude teksten gelezen, vaak in de oorspronkelijke taal. Het gaf me de mogelijkheid om m’n geloof via m’n verstand te beleven, niet alleen via de onderbuik.”

Lees ook het opiniestuk van schrijver Paulien Derwort: Ga toch weg met je mindfulness

Ook daar nam je weer afscheid van.

„Juist door die Bijbel zó hard met mijn verstand te bestuderen, moest ik toegeven dat ik twijfels had. De Bijbel is zo’n ingewikkeld en veelzijdig boek dat door zo veel verschillende mensen is geschreven en doorgegeven, dat is te weerbarstig voor strakke dogmatiek. Ondertussen werd ik steeds linkser en activistischer. Na zeven jaar pasten de Gereformeerde Kerk en ik niet meer bij elkaar.”

Ondanks de teleurstellingen in de verschillende kerken lijk je niet rancuneus in je boek. Je schrijft vol genegenheid over je ervaringen.

„Juist in die kringen waar ik gillend ben weggerend, heb ik het meeste geleerd. Ik heb ook gedacht: dat hele geloof hoeft van mij niet meer. Die periode zonder geloof heeft overigens niet lang geduurd, ik stuitte zo snel weer op die christelijke religie. Ik weet bijna zeker dat ik me daar mijn leven lang toe zal moeten verhouden. Ik ben christen, al zeg ik dat schoorvoetend. Er komt namelijk nogal wat moreel appèl bij kijken, bij die associatie met Christus. De Bijbel roept je op om je bezittingen te delen, nooit wraak te willen nemen. Dat is nogal wat.”

Welke rol speelt het geloof nu in je leven?

„Ik behoor niet meer tot één specifieke kerkelijke denominatie, maar de verhalen uit de Bijbel blijven een grote inspiratie voor me. Ik neem mezelf iedere dag hardop voor om barmhartig en genadig te zijn. Dat moet ik me ook echt voornemen, want dat ben ik niet. Het is een soort note to self dat ik die dag in hoop, geloof en liefde wil doorbrengen.”

God en ik, Atlas Contact, 192 pag. € 18,99
    • Anna Krijger