Is de vloek van Don Quichot bezworen?

Terry Gilliam Na decennia van uitstel en onheil liepen de opnames van Terry Gilliams passieproject ‘The Man Who Killed Don Quixote’ begin 2017 eindelijk op rolletjes. Een reportage vanaf de set.

Jonathan Pryce als de uiteindelijke Don Quichot in Terry Gilliams ‘The man Who Killed Don Quixote’.

Een hersentumor. Een ziekte. Regisseur Terry Gilliam (77) heeft opvallende metaforen voor zijn passieproject The Man Who Killed Don Quixote. Het is 26 april 2017, Gilliam prikt na een lange draaidag in een pastasalade in de kantinetent. Decor is het Christusklooster, een indrukwekkend kasteel op de heuvel boven het Portugese Tomar, ooit gebouwd door de tempeliers.

Hier speelt de finale van de film zich af. Na decennia van uitstel en onheil lopen de opnames op rolletjes. „Ongelofelijk”, zegt Gilliam. „Tot deze week was ik een dag voor op schema! Nu loop ik weer wat achter omdat ik scènes met paarden film. Die beesten bezorgen je altijd hoofdpijn. Vroeger was ik slimmer, toen behielp ik me met kokosnoten.”

We grinniken: Gilliam doelt op zijn regiedebuut uit 1975, Monty Python and the Holy Grail, waarin Gilliam als schildknaap van koning Arthur het geluid van paardenhoeven simuleert met halve kokosnoten. Gilliam was het Amerikaanse lid van Monty Python, hij deed de animaties. Anno 2017 heeft hij achttien speelfilms geregisseerd, meestal over fantasten die hun droom levend houden in een wereld van dorre knopentellers: Time Bandits, Brazil, The Fisher King, 12 Monkeys, The Brothers Grimm.

We zagen Gilliam een hele dag aan het werk. De scène: Don Quichot (Jonathan Pryce) en Sancho Panza (Adam Driver) maken een grandioze entree aan het hof van de Russische wodkatycoon Aleksej, die een 17de-eeuws kostuumfeest organiseert en de ridder van de droevige figuur als gimmick ziet. De halve middag gaat op aan stuurse paarden en het afstijgen van de stramme Don Quichot: een slapstickmoment. Na elke take galmt het gegiebel van Gilliam over het voorhof. „Prachtig. Geweldig.” Dan is het de beurt aan wodkatycoon Aleksej om Don Quichot een take of acht welkom te heten: „Kijk alsof je geamuseerd bent”, roept Gilliam naar boven. „Ik heb een scheet gelaten, dat is een goed teken”, roept acteur Jordi Mollà terug. Een insidersgrapje kennelijk.

De Don Quichot-film van Terry Gilliam kent een eindeloze voorgeschiedenis. Het lag voor de hand dat Gilliam ooit Miguel de Cervantes’ tweedelige roman uit 1605 en 1615 zou verfilmen, De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha. Daarin verliest een oude, armlastige hidalgo zijn verstand door het lezen van ridderverhalen en trekt met zijn haveloze paard Rocinante de wereld in om draken te verslaan en de edele maagd Dulcinea te dienen. Zijn nuchtere buurman Sancho Panza hobbelt er op zijn ezeltje achteraan.

Strijd van een fantast

Don Quichot raakt de kern van Gilliams werk: de hopeloze strijd van een fantast tegen de realiteit. „De ziekte van Don Quichot nam in 1989 bezit van me”, zegt Gilliam. „Iemand adviseerde me: lees dat boek van Cervantes nou eens echt. Dat kostte me twee weken, en aan het eind dacht ik: magnifiek, maar onverfilmbaar. De roman is een parodie op de idealen van de 16de-eeuwse ridderroman. Hoe vertaal je dat voor een modern publiek? Fuck Cervantes!”

Eerdere Don Quichot-films waren saai omdat ze Cervantes te serieus namen, vond Gilliam. Diens humor gaat over anachronisme, dus verzon Gilliam een script met een saaie marketingman die terugkeert naar de 17de eeuw en betoverd raakt door het idealisme van Don Quichot. Met Johnny Depp als ster, draaiden de opnames van The Man Who Killed Don Quixote in september 2000 evenwel uit op een catastrofe, met wolkbreuken en een Don Quichot – Jean Rochefort – die door een dubbelde hernia werd geveld. De opnames werden gestaakt, maar de setdocumentaire, Lost in La Mancha, werd in 2002 een culthit. „Een meta-postmoderne film”, grapt Gilliam. „Geen film over film, maar een film over geen film.”

The Man Who Killed Don Quixote werd een soort legende: het schoolvoorbeeld van wat in Hollywood ‘development hell’ heet. Want Gilliam ploeterde voort: de film moest en zou er komen. Waarom toch? „Mijn eigen vrouw zegt ook: je bent een mafketel, je had tien andere films kunnen maken, en betere. Maar Don Quichot is een hersentumor: als hij zich eenmaal in je hoofd vastzet, raak je hem nooit meer kwijt.” Vraag maar aan Orson Welles, vervolgt Gilliam, die legendarische regisseur bleef tussen 1955 en 1972 zijn eigen geld steken in een Don Quichot-film die nooit afkwam.

Lees hier de recensie van ‘The Man Who Killed Don Quixote’

Na 2002 schreef hij een nieuw script. Gilliam: „Ik bedacht me: waarom gaan we terug naar de 17de eeuw? Het is veel goedkoper als Don Quichot naar het heden komt, dat had Orson Welles ook al bedacht. Zo kwam ik op deze plot: reclameregisseur Toby nam ooit zijn afstudeerfilm op in een Spaans dorpje. De schoenmaker die toen Don Quichot speelde, ging in zijn rol geloven.” Bijkomend voordeel: zo kan Gilliam ook de ‘razend interessante’ tweede roman van Cervantes in zijn film verwerken. Daarin weet iedereen dankzij de eerste roman van Don Quichot en speelt men voor de grap zijn spel mee. Al spelend hervindt Don Quichot zijn gezonde verstand, maar verliest hij zijn ridderlijke illusies en uiteindelijk zijn leven. Een zeer Gilliameske wending.

Volgde nog een decennium van aankondigingen, valse start en hapering. Het werd een feuilleton voor de filmpers: Terry Gilliam en de ‘vloek van Don Quichot’.

Is die vloek nu bezworen? Jonathan Pryce (Don Quichot) noemt het in Tomar „heel attent dat Terry heeft gewacht tot ik oud genoeg was voor deze rol”. Op serieuze toon: „Ik ben vrij fit en doe stunts graag zelf, maar hier hou ik me in. Ik wil Terry niet nog een Don Quichot met een hernia bezorgen.”

Adam Driver (Toby/Sancho Panza): „Don Quixote kent een uitzonderlijke voorgeschiedenis. Maar ik speelde ook in Silence, die Martin Scorsese twintig jaar van zijn leven kostte. Elke film is een wonder, en als hij na dertig jaar alsnog wordt gemaakt, bewijst dat alleen hoe vasthoudend de maker is.” En Terry Gilliam? „Ik zie de vloek van Don Quichot als een leuk verhaal om de pers te kietelen. Het trekt ook producers, die allemaal de held willen zijn die de vloek overwint. Vier faalden al, hun bleke botten liggen voor de grot.”

Wachten op de eerste likes

Ruim een jaar later treffen we Terry Gilliam in Cannes, in een strandtent bij Hotel Majestic. The Man Who Killed Don Quixote is de slotfilm van het filmfestival, morgen is de première. In een besloten voorstelling reageren collega’s lauw tot afwijzend op het eindproduct. Chaotisch. Oubollig. Stuurloos. Gilliam zei vorig jaar al dat hij een dwaas was: naast de legende kan de film alleen tegenvallen. En dat doet hij.

Maar wat betreft de vloek: producer Paul Branco, die meent de rechten te hebben, probeerde de vertoning via de rechter alsnog te verbieden. En in Londen werd Gilliam een week eerder plots in het ziekenhuis opgenomen. „Vals alarm”, bezweert hij in Cannes. Gilliam zwerft giechelend en schouderkloppend van persconferentie naar rode loper in een clowneske smoking. Het oogt geforceerd. „Jullie zien hier niet de echte Terry Gilliam”, fluistert hij met twinkelogen. „Thuis zit ik de hele dag depressief achter Facebook te wachten op mijn eerste likes.”

Een pak van zijn hart dat Don Quichot erop zit? „Het Palais des Festivals kan nog afbranden.” Wat hem gaande hield? „Drugs. Maar nee, de mensen die zeiden dat het niet zou lukken.” Of het de moeite waard was? „Ik weet het niet. Maar ik ben wel opgelucht, alsof een tumor is verwijderd.”

Gilliam heeft in Cannes veel sympathie verspeeld met zijn recente lompe commentaar op #MeToo. ‘Mob rule’, noemt hij dat: al die actrices wisten best dat een nacht met Harvey Weinstein de prijs was die je betaalt voor succes. Naast hem op de sofa zit de jonge actrice Joana Ribeiro, die in The Man Who Killed Don Quixote dorpsmeisje Angelica speelt: zij wil filmster worden maar eindigt als prostituee. Niet de juiste Weinstein tegengekomen? „Ach, weet je wat het is”, wuift Gilliam de controverse weg. „Ik ben stokoud, maar geestelijk minderjarig.” „Ah, dat verklaart veel”, zegt Ribeiro.

Op het filmfestival in het Tsjechische Karlovy Vary dook Gilliam vorige maand weer op, nu om zich te keren tegen diversiteit. „Ik vertel de wereld tegenwoordig dat ik een zwarte lesbienne in transitie ben.” Oh Terry. „Ik ben altijd bang geweest dat ik als Don Quichot zou eindigen”, vertelde hij ons in Tomar. Hij heeft zijn windmolens gevonden.

    • Coen van Zwol