Recensie

Horizon en kerktorens vormden de basis van Mondriaans abstracte kunst

Tentoonstellingen

Het Gemeentemuseum in Den Haag wijdt drie tentoonstellingen aan de zee. Met name de Zeeuwse kust blijkt een grote inspiratiebron voor kunstenaars.

Jacoba van Heemskerck (1876-1923), Twee bomen, 1908-1910. Olieverf op doek 70,5 x 88,2 cm. Foto Gemeentemuseum Den Haag

Zeeuwse meisjes met witte kapjes op het strand, zeil- en vissersboten aan de horizon op een zonovergoten dag, de karakteristieke kerktoren van Westkapelle, brede stranden en steile duinen in dorpen als Zoutelande en Domburg. Wie een totaalbeeld wil krijgen van de Nederlandse badcultuur moet dezer dagen in het Gemeentemuseum van Den Haag zijn. Drie tentoonstellingen die de zee en het strand als voornaamste uitgangspunten hebben, doen je helemaal wegdromen in zomerse sferen.

Zowel Ferdinand Hart Nibbrig, Piet Mondriaan, Jan Toorop als Jacoba Van Heemskerck waren geïntrigeerd door de Zeeuwse kust, in het bijzonder op het eiland Walcheren. Ze experimenteerden duchtig met licht en kleur en schilderden vaak dezelfde thema’s, ieder volgens zijn of haar eigen stijl. Zo zijn de haarfijn geschilderde Zeeuwse meisjes die bij Hart Nibbrig lummelen in de duinen van Zoutelande, in Van Heemskercks schilderijen gereduceerd tot hun witte kapjes. Mondriaan schilderde de kerktoren van Westkapelle, die tegelijk fungeerde als vuurtoren, van 1908 tot 1910 nog pointillistisch en lumineus. Toorop besloot bewust alleen de kerktoren van Westkapelle te schilderen omdat hij uiterst katholiek was.

Piet Mondriaan (1872-1944), Vuurtoren bij Westkapelle, 1908. Olieverf op doek 71 x 52 cm. Foto Gemeentemuseum Den Haag

Aan Zee is met zestig kunstwerken (restauraties uit de eigen collectie en bruiklenen van onder andere het Guggenheim Museum in New York) een aangenaam overzichtelijke tentoonstelling. Interessant is hoe de wending van Mondriaan naar de abstractie inzichtelijk gemaakt wordt. Volgens het museum hebben de Zeeuwse zeezichten en kerktorens er met hun horizontale en verticale lijnen voor gezorgd dat de Nederlandse schilder steeds verder ging abstraheren. Dat wordt mooi duidelijk in Voorstudies: de rode boom (1908-1910), waar hij een herkenbare boom in avondgloed schildert. Wanneer Mondriaan twee jaar later terugkeert naar Domburg, schildert hij Bloeiende appelboom, maar ditmaal kubistisch, als een verzameling staande en liggende streepjes.

Piet Mondriaan (1872-1944), Avond; De rode boom, 1908-1910. Olieverf op doek 70 x 99 cm. Foto Gemeentemuseum Den Haag

Ook Van Heemskerck schildert eerst lumineuze kunstwerken. Onder invloed van de Duitse kunstenaarsbeweging Der Sturm monden ze uit in expressionistische, maar ook donkere en grimmige schilderijen. In Twee bomen (1908-1910) schildert ze nog in gloedvolle, vrolijke pasteltinten en vangt ze zweverig het avondlicht. Vanaf 1913, in werken als Bild no. 23, schildert ze doffer en pessimistischer. Het Gemeentemuseum slaagt erin deze evoluties op een heldere manier weer te geven.

Jan Toorop (1858-1928), Zee en duin bij Zoutelande, 1907. Olieverf over een ondertekening in zwart krijt op karton 47,5 x 61,5 cm. Foto Gemeentemuseum Den Haag

Dezelfde grilligheid en verstilling weet de Belgisch fotograaf Stephan Vanfleteren (1969) te vangen in zijn aanvullende fotoreeks Terre / Mer. Voor deze serie stuurde het Gemeentemuseum Vanfleteren naar de plekken die aan het begin van de vorige eeuw zo geliefd waren bij de vier Nederlandse schilders. Door met een trage sluitertijd te spelen, krijgen sommige foto’s, zoals die van een dreigende boom op een verlaten landweg, een schilderachtig karakter. Ze gaan hand in hand met de schilderijen en bieden de ideale, hedendaagse aanvulling op Aan Zee.

Jan Hendrik Weissenbruch, Strandgezicht, 1887, olieverf op doek, 72,8 x 102,9 cm. Foto Gemeentemuseum Den Haag

Op de eerste verdieping loopt ten slotte de tentoonstelling De Haagse school op Scheveningen, de derde zee-expositie in het museum. Waar zomer en vakantie heersen op Aan Zee, duikt hier eerder het harde, realistische bestaan van het schippersleven en de garnaalvissers in de negentiende eeuw op. De expo is als een tijdlijn van tweehonderd jaar: van het vissersdorp tot de badplaats die Scheveningen is geworden. Van de troosteloosheid in de grijze, uitgestrekte landschappen van Anton Mauve naar de schilderijen van Andreas Schelfhout waar de zon wel door het wolkendek schijnt. In Strandgezicht uit 1887 van Jan Hendrik Weissenbruch herken je de eerste flanerende badgasten. Ze lopen nog eenzaam op het strand, er is nog geen pier om ze te vermaken. Maar genieten doen ze, van de zon en de zee.

    • Marthe Saelens