Brieven

Brieven NRC Handelsblad 24/7/2018

Lamyae Aharouhay (2)

Vrije keuze

Wat Lamyae Aharouhay schrijft over de reacties die ze kreeg op haar hoofddoek verbaast me niet. Het is wat mij betreft terecht dat ze zich niet wil verdedigen voor de keuzes die ze maakt. Dat is namelijk waar het in Nederland om zou moeten gaan.

In de discussie over de hoofddoek is de kern van de argumentatie dat de hoofddoek een onderdrukkend instituut is. Dit werd door feministen ook gezegd over het huwelijk. Ten aanzien van het huwelijk hoor je echter niemand dat het zou moeten worden afgeschaft. In feite is dat wel wat van Aharouhay geëist wordt. De mogelijkheid van onderdrukking door middel van een hoofddoek wordt namelijk verabsoluteerd tot een feitelijkheid. Het afdoen van je hoofddoek helpt vrouwen die daadwerkelijk onderdrukt worden ook niet.

Het voorbeeld van het huwelijk is in dit soort kwesties juist instructief, omdat de wetgever niet besloten heeft het huwelijk af te schaffen, maar de rechten van de vrouw te versterken. Door de mogelijkheden van scheiding te verruimen, inkomensondersteuning, etc..

In een conflictueuze situatie sluit het liberalisme dus geen keuzes uit, maar maakt het keuzes mogelijk. Dit is in de ruimste zin van het woord waar liberalisme voor zou moeten staan, maar ik weet uit ervaring dat seculiere liberalen moeite hebben met religie.

Liberalisme draait in mijn visie om het mogelijk maken van keuzes, niet om een bepaalde levensvisie op te dringen. In mijn ogen is dat verraad aan liberale principes. Liberalen moeten opkomen voor mensen die zich in een situatie van onderdrukking bevinden door ze rechten te geven en een keuze.

Stef Blok

Niet natuur, ophitsing

Twee briefschrijvers (NRC 20/7) komen op voor Stef Blok. Hij zou gelijk hebben met zijn uitspraken over de inherente gevaren van diversiteit. De eerste briefschrijver baseert zich op het rapport van de WRR waaruit dit ‘gegeven’ zou blijken, en de tweede op de menselijke natuur en het frequente voorkomen van interetnisch geweld. Dat er op bovengenoemd rapport best wat is af te dingen, blijkt o.m. uit de argumenten van Maurice Crul (NRC 1/6), die terecht betoogt dat ook ‘feiten’ interpretatie behoeven en dat correlaties niet hetzelfde zijn als oorzakelijke verbanden. Ook de tweede brief demonstreert de valkuil van het negeren van de duiding van feiten: er bestaan geen feiten zonder context en die context hangt af van welke ‘bril’ men draagt.

Een aangeboren wantrouwen tegenover ‘anderen’ wordt gewezen, is niet te ontkennen. Het dient het eigen (groeps)belang: op de steun van vreemden is nu eenmaal niet per se te rekenen. Maar het is een ‘aanvankelijk’ wantrouwen dat kan verdwijnen als er gemeenschappelijke belangen zijn en/of de ‘vreemdheid’ met de tijd vervaagt. Daar zijn legio voorbeelden van.

Ook de ‘feiten’ van waar het mis ging tussen bevolkingsgroepen zijn minder veelzeggend dan de schrijver aanneemt. Zowel bij het Hongaars-Oostenrijkse Rijk – dat stabiel genoeg was om eeuwenlang te bestaan en lange perioden van voorspoed te kennen – als bij de Bosniërs, Serven en Kroaten, de Hutu’s en de Tutsi’s speelden politieke ophitsing en leugens een cruciale rol. Is de vlam eenmaal in de pan, dan volgt het geweld tussen voormalige al dan niet tevreden ‘buren’ een eigen akelige dynamiek.

Stef Blok verdient dus allesbehalve een compliment voor zijn moed om „hardop te zeggen wat iedereen eigenlijk wel wist”. Ingendeel, het is vele malen te kort door de bocht, en zijn simplificaties zijn zelfs potentieel gevaarlijk.

    • Petra Aarts
    • Bob Bouw