Dieren in gevangenschap zijn handiger dan in het wild

Dierenintelligentie

Dieren zijn in gevangenschap veel handiger dan in het wild omdat ze er veel meer tijd hebben om te oefenen.

Een kea (inheemse papegaai) in actie. Foto Reuters

Dieren die in de nabijheid van mensen leven zijn veel handiger dan dieren in het wild. Dat geldt in ieder geval voor de kea (een Nieuw-Zeelandse bergparkiet) en mensapen, zo schrijven de biologen Ken Cheng en Richard Byrne deze maand in een analyse in het Journal of Comparative Psychology (online 19 juli). Van deze dieren is de omgang met objecten tenminste ook goed onderzocht in het wild, zodat een reële vergelijking mogelijk is. In experimenten bleken bijvoorbeeld wilde kea’s veel minder ‘slim’ in het oplossen van praktische problemen dan tamme. Van de mensapen lijken alleen chimpansees in het wild even handig als in gevangenschap.

Meer vrije tijd

De redenen dat gevangen dieren handiger worden is dat ze veel meer door mensen gemaakte objecten in handen krijgen en het gebruik ervan ook kunnen afkijken bij mensen, zo schrijven Cheng en Byrne. Ook omdat ze niet zelf hun eten hoeven te zoeken hebben ze in gevangenschap veel meer vrije tijd dan in het wild, zodat ze veel meer spelen met objecten. De motorische mogelijkheden en de praktische intelligentie worden daardoor veel groter. Ook in het wild leert een gorillakind spelenderwijs hoe hij efficiënt bladeren van takken kan trekken. Maar volwassen gorilla’s hebben geen tijd meer om te spelen. In het wild gebruiken gorilla’s nauwelijks werktuigen, maar in een dierentuin werd gezien hoe gorilla’s harkjes maakten om spullen te pakken en sponzen maakten van kokosnootvezels om zich schoon te vegen. Houtblokken werden ladders.

Lees ook: interview met Frans de Waal Hoe slim moet je zijn om dieren te begrijpen?

Ook orang-oetans zie je in het wild nauwelijks bezig met gereedschappen of ‘objecten’. Maar in een rehabilitatiecentrum in Indonesië waar ‘menselijk gedrag’ zelfs ontmoedigd werd (om de terugkeer naar de jungle niet te bemoeilijken) haalden ze de mooiste kunstjes uit: gebruik van boten om water over te steken, stokken om te slaan, roeren of te prikken en, pure imitatie van mensen: bladeren opvegen, hout ‘zagen’ met een stok en vuur aanjagen met een waaier.

In het wild zouden de dieren dat ook wel kunnen als daar meer gelegenheid was om te wennen aan de omgang met materialen en objecten. Maar in het wild hebben dieren weinig gelegenheid om spelenderwijs te oefenen. Te gevaarlijk, te weinig tijd. De aangeboren neiging om te spelen krijgt bij volwassenen minder gelegenheid. En in het wild, schrijven Cheng en Byrne, zijn er ook veel minder objecten beschikbaar die ‘klaar zijn voor gebruik’.

    • Hendrik Spiering