Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Castricum

In het dorp zeiden ze dat je met deze hitte je kinderen niet thuis mocht houden. We moesten naar Castricum, daar gingen ze zelf ook naar toe. Het was er ‘normaal’. Ik wist niet of ‘normaal’ nog een aanbeveling was. Ik had sinds we hier woonden een nieuwe kijk gekregen op dat woord. Nog een ding: ik hou van de zee, maar niet van de mensen op het strand. Was dat ook normaal?

Het de auto in sleuren van twee woedende kleine kinderen duurde even lang als het ritje naar zee. De discussie wiens schuld alles was vlamde nog langer door.

Castricum beviel me meteen met dat schitterende parkeerterrein in de duinen. De verhuurder van bedjes stond met zijn mobiele pinapparaat in zee. Ik denk dat mijn vader het niet geloofd zou hebben, maar pinnen kan dus definitief overal. De verhuurder wees na de administratieve afhandeling naar een berg bedjes en windschermen in het zand.

„Trek het er zelf maar uit, broer.”

Ik sleepte en bouwde een nestje, daar lagen we dan, afgeschermd van de rest van de wereld. Smeren, swimmies aan- en uittrekken, zand uit oogjes wrijven.

Anders dan in Bloemendaal of Zandvoort hoefden we ons hier niet mooier voor te doen dan we zijn, dat deden de anderen nadrukkelijk ook niet. We waanden ons onbespied.

Ik bouwde met de oudste dochter een blubberkasteel in de vloedlijn, dat ze dan telkens kapottrapte. Wijdbeens in mijn zwembroek in de blubber, op m’n kwetsbaarst, werd ik begroet door een bevriend stelletje dat net als wij naar Castricum was gegaan omdat het in Castricum ‘allemaal niet uitmaakte’, vanwege de privacy dus. Ik weet niet wie het meest schrok van wie. Castricum, zei onze hoogzwangere vriendin, was tenminste een plaats waar je je bikinilijn niet hoeft te scheren. Ik vond dat meteen een adequate omschrijving van Castricum, maar nu zaten we er toch maar mooi als normale mensen met elkaar.

In de strandtent werkte een meisje uit ons dorp. Ze ging er prat op dat ze er geen oesters en spinazieshakes verkochten. We bestelden poffertjes, want daar had de vriendin ineens enorme zin in. De klonten boter en een dikke laag poedersuiker in de gekleurde kommetjes konden niet verhullen dat de poffertjes uit de magnetron en niet uit een poffertjespan kwamen. Dat de ober ongevraagd zei dat het zo’n zak van Albert Heijn was en dat ze daarom misschien wat sponzerig smaakten was dan weer typisch Castricum.

Ik wist toen al dat ik nog weleens terugga naar deze parel aan de Noordzee.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.
    • Marcel van Roosmalen