‘Bomen moeten terug op het land’

Agroforestry in opkomst

Het combineren van land- en bosbouw biedt perspectief op verduurzaming. Plant en dier profiteren van elkaar.

Koeien in de fruitboomgaard in het Branbantse Riel. Foto Rien Zilvold

Tien jaar geleden stonden de 120 melkkoeien van Wim van Roessel in Riel, Midden-Brabant, nog op kale weilanden. Nu zien we er zo’n twintig lopen tussen jonge appel- en perenbomen. Nog even, en ze kunnen ook gras eten onder de 200 walnotenbomen die Van Roessel onlangs plantte.

Verminderen die bomen niet de grasproductie, wil een Tsjechische landbouwdeskundige weten. Hij is net met een groep Europese onderzoekers per bus aangekomen. Later op de dag zal de groep nog twee andere agroforestry-bedrijven in Brabant bezoeken. Deze bedrijven combineren sinds kort land- en bosbouw. Van Roessel, die samen met zijn vrouw 80 hectare land beheert, zegt het antwoord niet te weten. Het kan hem ook niet schelen. „We verdienen deze bomen wel terug: ze geven schaduw waardoor de koeien gezonder zijn, ze houden water vast en geven fruit en noten.”

De excursie door Brabant is onderdeel van een Europees congres ter promotie van agroforestry, eind mei in Nijmegen. In Europa zijn afgelopen eeuw miljoenen bomen en struiken gekapt, verspreid over graslanden en graanakkers, omdat ze de voedselproductie in de weg stonden. Maar een groeiende groep beleidsmakers, ondernemers en onderzoekers wil de bomen terug op het boerenland. Bomen concurreren wel om licht en water, maar ze beschermen ook tegen erosie, wind en verdamping. Belangrijke eigenschappen, zeker nu we door klimaatverandering vaker te maken krijgen met slagregens en droge periodes. Daarnaast slaan houtgewassen kooldioxide op, en verrijken ze de bodem.

Ik denk dat we wel 2.000 soorten hebben geplant

„Bomen houden water vast omdat de diepe wortels de bodem poreuzer maken”, vertelt de Britse landbouwkundige Paul Burgess van de Cranfield University in de bus. „Na veel regen staan conventionele weilanden en maïsakkers vaak onder de plassen omdat de bodem zo compact is. Het water spoelt dan weg. Een poreuzere bodem houdt het regenwater vast.”

Burgess is coördinator van het onlangs afgeronde EU-project AgForward, waarvan de resultaten werden gepresenteerd. Tien Europese kennisinstellingen, waaronder het Nederlandse Louis Bolk Instituut, onderzochten 40 boerenbosbouwsystemen in Europa. Ze rekenden aan onder andere graslanden met eikenbomen en varkentjes in Spanje (traditionele dehesas), rijen hazelnootbomen in hoogproductieve tarweteelt in Engeland, schapen onder appelbomen in Frankrijk en een kippenhouderij met boomrijke uitloop in Nederland.

Uit de veldmetingen bij ondernemers, en uit simulatiemodellen, bleek dat bomen juist tot méér gras of gewas leiden, als je het systeem maar goed inricht. Bijvoorbeeld door de rijen bomen niet te dicht bij elkaar te zetten, op tijd te snoeien, en onder de bomen schaduwtolerante gewassen te planten.

Zo berekenden onderzoekers van de Universiteit van Lissabon hoe gunstig de verkoelende schaduw van eikenbomen zomers in een beweid grasland kan uitpakken. In een gewasmodel stopten ze veldgegevens van een zogenoemde montado in Portugal – een traditioneel grasland met bomen, koeien en varkens. Waar in de zomer het kale grasland bruin was, konden de dieren onder de bomen nog eten. Omdat bomen warmte vasthielden, kwam het gras en de andere vegetatie onder bomen eerder in het seizoen op. Ondernemers met 0,7 koe en 50-100 volwassen bomen per hectare, zo concludeert hun onderzoeksrapport (2017), kunnen hun dieren zo’n 20 dagen langer voeden dan in grasland zonder bomen.

Foto Rien Zilvod

Andere Portugese onderzoekers vonden dat in de lente er weliswaar vaak een derde of soms wel de helft minder gras onder bomen in een montado groeit, maar dit gras is dan wel weer eiwitrijker (Sensors, 2018).

Een Griekse studie die Burgess had laten zien (nog niet gepubliceerd), leerde dat graanteelt tussen rijen olijfbomen met stikstofbindende ondergroei (100 bomen per hectare), in het begin veel geld kost, maar dat dit vanaf zestig jaar na planten jaarlijks zelfs vier keer meer kan opbrengen dan kale graanteelt (200.000 euro per hectare versus 50.000). Walnootbomen gaan na dertig jaar opbrengen, populieren (voor hout) al na een paar jaar, maar de marges zijn kleiner. „De modellen en databestanden die we hebben ontwikkeld, kunnen boeren helpen bij het ontwerp”, zegt Burgess. „Waarbij we natuurlijk wel duidelijk moeten zijn over de aannames.”

Op de soortenrijke vlierbloesemgaard met ook bramenstruiken, fruitbomen en groenten die we in Udenhout bezoeken, ziet agro-ecoloog Rodolphe Sabatier bevestigd wat hij eerder in Frankrijk zag. Deze vernieuwing komt niet van onderzoeksinstituten maar van ondernemers, zegt hij, terwijl we naar de boerderijwinkel met vlierbessenwijn lopen. „Vorige week bezocht ik in Zuid-Frankrijk nog twee ondernemers die geld hadden verdiend in de ICT. Groenten verkopen staat in hun bedrijf centraal. Maar daarnaast hebben ze ook bomen en wat graan en dieren voor compostering en bemesting. Zo hoeven ze geen kunstmest te kopen.”

Broeikasgassen

Bomen en struiken slaan ook broeikasgassen op. Ian Grange van de Royal Agricultural University (Zuid-Engeland) had berekend hoeveel kooldioxide een eens per drie jaar gesnoeide gemengde heg opslaat van 3,5 meter hoog en 2,4 tot 4,2 meter breed: 25 ton per kilometer (Agriculture, Ecosystems and Environment, 2017). Natuurlijk, heggen kosten land. Maar wanneer boeren betaald gaan worden voor de opslag van CO2 (daar zijn plannen voor), kunnen ze dit terugverdienen, verwacht Grange.

Als laatste bezoeken we een tot voedselbos omgevormde maïsakker van 1 hectare in Sint Michielsgestel, Den Food Bosch geheten. We lopen langs rijtjes jonge pompoenplanten, wilgen, basilicum, aardappelen, radijsjes, rogge, appelbomen, medicinale kruiden naast bessenstruiken. „Ik denk dat we wel 2.000 soorten hebben geplant”, vertelt initiatiefnemer Janine Raabe, onlangs afgestudeerd als landbouwkundige in Duitsland.

Het ontwerp is gebaseerd op dat van voedselbossen in Brazilië. De bomen, struiken en lage gewassen staan zo dat elke plant maximaal zonlicht vangt en dat de soorten elkaar versterken, bijvoorbeeld de ander tegen wind beschermen. Het Waterschap Dommel stelde de grond beschikbaar en met een ondernemerssubsidie konden Raabe en haar partner materialen en planten kopen. Studenten van HAS Den Bosch en een drone gaan de ontwikkelingen volgen, want je wilt natuurlijk niet dat een kruid onder een schaduw staat te verpieteren. Raabe: „Op tijd snoeien is voor ons heel belangrijk.”

    • Marianne Heselmans