Je weet niet wat je niet weet – en dat leidt tot fouten en arrogantie

Het verborgene

Deze zomer verkent de wetenschapsredactie alles dat verborgen is. Vandaag: dingen waarvan we niet weten dat we ze niet weten.

Illustratie Ralph Zabel

Wat je weet beïnvloedt je denken en leven. Logisch. Je weet wat en waar de supermarkt is, je loopt er zó naartoe, je kunt onderweg dromen over vakantie, over de liefde, over de koffie die je net niet kon drinken omdat de koffie op was. Wat je niet weet, beïnvloedt je denken en leven eveneens. Ook logisch. Je weet het nieuwe huisnummer van je net verhuisde broer niet meer, je moet hem bellen, hij lacht je liefdevol uit zoals jullie elkaar je hele leven al liefdevol uitlachen.

Maar nu. Nu verlaten we in gedachten even het landschap van wat we weten en wat we niet weten. We gaan voorbij de conceptuele kennishorizon. Of nee, wacht, nog even niet – laten we eerst erkennen dat er een conceptuele kennishorizon bestáát. Dat daarachter dingen zijn die we niet weten of kennen en waarvan we ook niet wéten dat we ze niet weten of kennen.

Soms hebben we een vaag gevoel dat er nog iets is; in het ergste geval hebben we er helemaal geen taal voor, geen cognitieve representatie van – psychologentaal voor: er zit niets over in ons hoofd. Geen kenmerken, geen mogelijke associaties met andere ideeën, gebeurtenissen, gedragingen. We zijn, wat die dingen betreft, zo blanco als de tweedimensionale wezens in Edwin Abbots novelle Flatland (1884), die het driedimensionale concept van een bol niet begrijpen. We zijn op dat gebied hypocognitief.

En dit is het punt: óók de terreinen waarop we hypocognitief zijn, de gebieden van onze verborgen onwetendheid, beïnvloeden ons denken en leven. Dat lieten de psychologen Kaidi Wu en David Dunning van de universiteit van Michigan eerder dit jaar zien in een overzichtsartikel in Review of General Psychology. En ja, dat is dezelfde Dunning van het Dunning-Kruger-effect: het verschijnsel dat vooral mensen die ergens geen verstand van hebben de expertise missen om te kunnen begrijpen dat ze er geen verstand van hebben, waardoor ze ten onrechte denken dat ze er wél veel van weten. Zowel bij het Dunning-Kruger-effect als bij het concept van hypocognitie beseft iemand niet wat hij niet weet en wat het effect daarvan is.

Onbekende emoties

Maar hypocognitie is breder. Beginnende longartsen die afwijkingen op röntgenfoto’s niet zo goed herkennen als experts – ze weten niet wat ze niet zien. net als beginnende schakers die een schaakopstelling minder goed onthouden. Westerlingen die de Japanse emotie amae niet ervaren of herkennen – het is een prettig intiem gevoel van wederzijds vertrouwen dat beide partijen kunnen ervaren als je een ander een te grote gunst vraagt: het gevoel dat je op de ander kunt vertrouwen en het gevoel van de ander dat je dat bij hem durft. Of het ontbreken van het begrip ‘rouw’ op Tahiti, waardoor mensen die wij ‘rouwend’ zouden noemen zelf zeggen dat ze zich ‘raar’ of ‘ziek’ voelen – ze hebben een vaag gevoel dat er iets is. Antropoloog Robert Levy beschreef de afwezigheid van rouw bij Tahitianen in 1973; Wu en Dunning noemen dat de introductie van het concept hypocognitie in de moderne gedragswetenschap.

Uit bovenstaande voorbeelden is duidelijk dat hypocognitie niet altijd zonder gevolgen is. Het kan leiden tot fouten in gebieden waarop mensen (nog) geen expert zijn, maar ook tot fundamenteel wederzijds onbegrip en misplaatst superioriteitsgevoel. Want mensen zien vaak wel de mooie dingen uit hun eigen cultuur die bij andere culturen ontbreken, schrijven Wu en Dunning, maar niet het omgekeerde, niet de gebreken van hun eigen cultuur. In 2016 trok een Thais bedrijf een reclamespotje voor een skin whitening schoonheidsproduct terug, waarin een Aziatische vrouw een pikzwarte huid krijgt en droevig zegt: „Als ik wit was, zou ik winnen.” Kennelijk had niemand bij het bedrijf die tekst als racistisch opgevat.

Mensen begrijpen ook vaak niet welke morele principes van belang zijn voor hun politieke tegenstanders. Daardoor blijven partijen langs elkaar heen praten, terwijl dat niet per se hoeft. Benadruk werkgelegenheid voor militairen en mensen die links stemmen willen wél meer geld uitgeven aan defensie, blijkt uit onderzoek. Vaak hebben we geen idee dat een andere groep mensen fundamenteel andere waarden kan hebben.

Totaliteitsillusie

Hypocognitie maakt dat mensen lijden aan wat Wu en Dunning de ‘totaliteitsillusie’ noemen, het misplaatste gevoel dat hoe jij de wereld ziet, is zoals de wereld ten volle is, dat wat je ziet alles is wat er is. Zoals veel kleurenblinden hun kleurenblindheid pas beseffen als ze volwassen zijn. Of lees deze zin: over een man die zich ’s ochtends zorgvuldig scheert, een mooie das omdoet, bij het ontbijt met zijn vrouw bespreekt of ze een nieuwe wasmachine zullen kopen, nadenkt over het zomerkamp waar hun kinderen naartoe willen, en boos wordt als de auto niet start omdat hij met de bus te laat komt. Je dénkt dat je vrij goed weet hoe de ochtend van deze man is verlopen, schrijven Wu en Dunning. Maar nu hoor je dat deze man werkloos is. Lees die zin over hem nog eens – lees je die dit keer anders?

Er is zó veel wat we niet weten, en waarvan we niet weten dat we het niet weten. Natuurlijk, schrijven Wu en Dunning, ieder mens heeft behoorlijk wat kennis, „maar die verbleekt tegen het gehele landschap van mogelijk kenbare concepten.” Het zou ons menselijke bestaan verrijken, denken de psychologen, als we nog meer concepten tot onze beschikking hadden. Het in de 19de eeuw ontstane idee dat mensen een puberteit hebben, heeft het begrip van de menselijke ontwikkeling vooruit geholpen. De uitvinding van het concept ‘nul’ maakte het decimale getallenstelsel mogelijk, en het programmeren van computers. We kunnen niet meer zonder.

En misschien is hypocognitie niet zo belangrijk als het getal nul, schrijven ze bescheiden, maar ze hopen toch dat het concept helpt om nog beter te begrijpen hoe mensen de wereld om zich heen in kaart brengen en ervaren. Weg met de de hypocognitie over hypocognitie!

    • Ellen de Bruin