Opinie

    • Lamyae Aharouay

Hoe ik een dikke huid kreeg

Tweeënhalf jaar schreef columns voor NRC. Nu concludeert ze dat voor veel lezers de inhoud van haar columns niet kon opwegen tegen haar hoofddoek.

„Alles aan haar is fout. Boven haar column staat haar portret. Vanonder een somber gekleurde hijab kijkt ze de lezer aan met haar minzame blik, superieure glimlach en alleswetende ogen.”

„Geachte mevrouw Aharouay,

Van uw verschijning als columniste in de NRC ben ik geschrokken. Ik ben echt bang voor mohammedanen en, gezien uw foto, bent u een overtuigde.”

„Dus NRC, graag een andere foto bij de column, een normale, zonder hidjab.”

„De reden waarom je een hoofddoek draagt is duidelijk. De gewone Nederlander irriteren. Immers veel mensen zien je als een vreemde eend in de bijt. Je hoort er niet echt bij.”

„Ik lees uw column trouw. Bij uw portretje begin ik me al te ergeren aan die hoofddoek en dat superieure lachje dat alwetendheid lijkt te suggereren.”

„Verontwaardigd stuur ik deze mail…

Tot mijn grote verbazing staat er op de voorkant van de zaterdagkrant van vandaag een vrouw met een hoofddoek afgebeeld!!!! Ik benoem niet eens argumenten waarom dit absurd is!”

„En het westerse leven? Daarin heeft de hoofddoek nooit gepast, tenzij voor de juffrouwen van de vierde stand, die met louter minachting werden bejegend.”

„Kortom: uw portret-met-hoofddoek stoort mij. Ik kan het niet in overeenstemming brengen met de figuur die uit uw intelligente proza naar voren treedt.”

Dit zijn een paar van de vele reacties die binnenkwamen in de tweeënhalf jaar waarin ik een van de vaste columnisten van NRC was. Toen ik door de krant gevraagd werd, voelde ik me niet alleen vereerd, ik was ook op mijn hoede. Ik wist dat mijn hoofddoek voor sommige lezers een probleem zou zijn. Maar, zo redeneerde ik, dat zou niet moeten uitmaken. Juist als ze mijn stukken hadden gelezen, zouden ze snappen dat de hoofddoek mijn hoofd bedekt maar niet mijn hersenen afknelt.

Boy, was I wrong.

Lees de eerste column van Lamyae Aharouay: Cursus opstappen volg je bij Bart de Liefde

Mijn eerste column schreef ik bewust niet over een onderwerp dat gerelateerd is aan islam, minderheden of iets dat daaraan raakt. Ik had mijn hoofddoek al, als ik ook nog inhoudelijk voor zo’n thema zou kiezen zou ik binnen de kortste keren in een hokje belanden. Zelfcensuur. Het werd een column over VVD-Kamerlid Bart de Liefde die de overstap maakte naar Uber.

De eerste reactie die binnenkwam ging toch over mijn hoofddoek. Een lezer schreef: „Ik lees veel, denk veel na over de islam en heb op mijn leeftijd (73) al veel veranderingen meegemaakt, die ik met veel begrip onderga en tracht mee te leven. Maar de hoofddoek: nee, ik kan er niet aan wennen, vreselijk symbool van zelf opgelegde verachting van hun soort door mannen.” Hij was niet de enige. Ik dacht, laat het even. Men moet wennen. Met die zelfcensuur ben ik vrij snel gestopt. Af en toe kreeg ik een lezersmail onder ogen, waarin geklaagd werd over mijn hoofddoek. Ik reageerde zo goed als nooit. Het nam te veel tijd in beslag, het had invloed op mijn humeur, ik had er helemaal geen zin in om me te verantwoorden.

Een paar weken geleden pas kwam ik erachter dat lang niet alle mails werden doorgestuurd. De opinieredactie, zo begreep ik, stuurt alleen inhoudelijke mails door. Ad hominems zonder inhoudelijk punt wilde de redactie me besparen.

Wond

Van vrienden en collega’s krijg ik wel eens de vraag hoe het voelt om vijandige, persoonlijke reacties te lezen. Ik omschrijf het zo. Aan het begin, toen het nog vers en nieuw was, maakten ze kleine wondjes. Ze deden niet echt pijn, maar waren wel gevoelig. Iedere mail voelde heel persoonlijk.

Daarna realiseerde ik me dat het voor een groot deel van de mensen die achter hun toetsenbord plaatsnam, niet om mij ging. Ze projecteerden iets groters, onvrede, onbehagen, op mij. Die gedachte werkte als een korst die de wond bedekte.

Lees de laatste column van Lamyae Aharouay: Ik hoef niet meer zo nodig iets te vinden

Toen ik wist dat ik zou stoppen met mijn column vroeg ik bij NRC alle mails over mij op. (Overigens heb ik besloten te stoppen omdat ik uitgeöpinieerd was, niet door de toon of de aard van de reacties op mijn werk.)

Door problemen met het archief was niet alles terug te vinden. Van de opinieredactie kreeg ik er over de afgelopen tweeënhalf jaar uiteindelijk ongeveer veertig, van de klantenservice ruim tweehonderd die binnen waren gekomen in een tijdspanne van negen maanden. Het lezen van al die reacties was als het krabben aan een korstje.

Een paar voorbeelden:

„Lamyae, mag die lippenstift wel van pedo Mo? Ik zou maar eens informeren bij de imam. Anders word je straks nog gestenigd of voor straf besneden.”

Er zaten ook veel verzoekjes bij. Voor sommige lezers was ik geen individu, ik was het gezicht van een groep, en dáár moest ik over schrijven.

„Lamyae Aharouay moet de ‘cultuurverrijking’ door haar eigen ‘ras’ eens wat vaker onder de loep nemen. Om te beginnen de Mocro maffia, maar niet uitsluitend, ook het straattuig en de overige overlastgevers van Marokkaanse komaf.”

Lees ook het stuk In Apeldoorn weten ze wat beschaving is

„Mevrouw Aharouay profiteert, als inwoner van de gemeente Apeldoorn, van het verantwoordelijke en beschaafde gedrag van de inheemse Apeldoorners. Dat is niet haar verdienste of de verdienste van andere islamitische inwoners van Apeldoorn, zoals mevrouw Aharouay lijkt te willen suggereren, maar de verdienste van de beschaafde autochtone bevolking van Apeldoorn.”

„Weer een stennisschopper met Marokkaanse achtergrond die wit Nederland wil onderdrukken. Wilt u svp madam dit podium ontnemen, ze staat voor een bevolkingsgroep die de samenleving verziekt en dat kan gratis en zonder enige strafrechtelijke vervolging.”

„Als jullie je niet kunnen aanpassen aan onze normen en waarden en cultuur dan is de grens jullie deur en dan zie ik je graag verdwijnen. Jullie moslims maken Nederland kapot van binnen uit. En we hadden zo’n mooi land. (…) En hou gewoon je mond en heb respect naar de originele Nederlanders waar jullie je vluchtoord hebben gevonden omdat wij zo gastvrij zijn geweest. That time is over, want JULLIE hebben het verziekt.”

„Wanneer mw Lamyae blijft schrijven voor nrc zeg ik mijn abbonement op.”

Iemand die zijn abonnement daadwerkelijk opzegt, geeft als reden: ‘islamitisering van de krant omdat columniste met hoofddoek verschijnt en verkeerd beeld geeft van Nederlandse bevolking’.

Eenderde

Eerst ben ik gaan markeren. Daarna begon ik te tellen en te turven. Ongeveer eenderde van alle reacties ging, ongeacht het onderwerp waar ik over schreef, over mijn hoofddoek, religie of het land waar mijn ouders geboren zijn. Het overige deel van de reacties was inhoudelijk kritisch, of bevatte een compliment.

In een poging om hun boosheid te begrijpen ben ik een aantal van de mensen die door de jaren heen reageerde op mijn hoofddoek gaan benaderen. Ik wilde weten of zij mijn stukken zijn blijven lezen, en of dat hun beeld van de hoofddoek, of op zijn minst hun beeld van mij, heeft veranderd. Een van hen is de man die als eerste had gereageerd. Hij mailt terug: „In 2016 ben ik er op voorhand van uitgegaan, dat u goede en lezenswaardige stukken zou leveren, de NRC is niet gek. En dat is ook gebleken.

Maar het is een misverstand te denken, dat mijn mening over de hoofddoek zou worden beïnvloed door de kwaliteit van uw stukken. (…) U zult zeggen: vooroordelen zijn er om bestreden te worden. Helemaal waar, maar in dit geval lukt het mij niet, het wordt alleen maar erger.” We raken al snel verzeild in een mailwisseling over vrijheid, dwang en religie. In zijn laatste mail schrijft hij: „Het lijkt mij nu het beste als je in het beloofde artikel gewoon zegt dat je een hoofddoek draagt omdat je je daar prettig mee voelt en het een persoonlijke keuze is, die iedereen gewoon moet accepteren, basta, vooral die ouwe witte mannen moeten niet zeuren. En zo is het.” Het is me onduidelijk of hij daar zelf ook in geloofde of dat hij het gesprek alleen wilde afronden. Hij antwoordde niet meer op mijn laatste mail.

Lees ook Lamyaes zoektocht naar de Gewone Nederlander – ruim honderdzestig lezers reageerden

Ik spreek ook Jan van Oort. Hij schreef me begin dit jaar dat hij mijn stukken trouw las: „geen opmerking of kritiek dus over uw intelligentie, belezenheid of scherpzinnigheid. Deze lezer is helemaal tevreden.” Maar, zo gaf hij aan, hij woonde in Wenen, waar onder de hoogopgeleide kringen waarin hij zich bevindt consensus begon te ontstaan over de positie van hoofddoekdraagsters. „Een vrouw die vrijwillig een islamitische hoofddoek draagt benadeelt daarmee zichzelf, en vráágt erom te worden behandeld als tweederangsburger.” Ik mail hem midden juli of zijn beeld inmiddels is veranderd. Hij antwoordt van niet. „Zo’n vrouw vraagt er werkelijk om te worden behandeld als een tweederangsburger, hoe triest dat ook is.” Als ik vraag hoe dat er concreet uitziet, antwoordt hij: „(..) ben er – dat moet ik eerlijk toegeven – niet zeker van dat ik, als op een functie twee kandidaten zouden solliciteren waarvan één een vrouw met hoofddoek was, ik die vrouw helemaal eerlijk zou behandelen (ja, dat is tegen de wet, ook hier in Oostenrijk, ik weet het; ik zeg hier alleen dat ik er niet zeker van ben mij altijd, gegarandeerd, aan de wet te kunnen houden).”

‘Graag een andere foto’

Ik benader ook Rik Landkroon. Hij mailde de redactie: „Dat Lamyae Aharouay getooid met hidjab een column schrijft in onze krant, past bij de ruimdenkendheid in Nederland. (…) Maar tegelijk wekt het de indruk dat verplichte hoofdbedekking voor vrouwen acceptabel is, en dat ondermijnt de emancipatie die we inmiddels bereikt hebben. De dappere en oprechte Zineb El-Rhazoui heeft gelijk dat een hoofddoek niet normaal is en een instrument is van onderdrukking (‘In de islam groeit een fascistische ideologie’, NRC 8/3). Dus NRC, graag een andere foto bij de column, een normale, zonder hidjab.”

Lees ook het hoofdredactioneel commentaar: Het nieuwe Nederland verdient een plaats in de media

Ik vraag hem of dit betekent dat ik mijn eigen keuzevrijheid op moet geven om aan iemand anders, aan hem bijvoorbeeld, te bewijzen dat ik de strijd van vrouwen die gedwongen worden de hoofddoek te dragen steun.

Hij antwoordt: „U hoeft niets op te geven (behalve uw angst), en het gaat niet om mijn kledingvoorkeur (op of af maakt mij niet uit, ik ga daar niet over). Maar doe die doek nou gewoon een keer af en laat zien dat het een eigen keuze is en geen dogma.”

De meeste gesprekken lopen dood. En om eerlijk te zijn komt dat vooral door mij. Want in iedere mail, iedere reactie die ik componeer ben ik me bewust van het feit dat ik me aan het verdedigen ben. Dat de inhoud van mijn columns, door alle jaren heen en waar ik ook over schreef, niet op heeft kunnen wegen tegen wat ik om mijn hoofd draag. Eerlijk is eerlijk, die conclusie is teleurstellend en confronterend. Maar ik besef ook dat het uiteindelijk maar een deel van de reacties is. Tweederde van de lezers die de moeite nam om te schrijven, deed dat op basis van de inhoud. Onder de korst ligt dan ook geen wond. Mijn huid is wellicht wat dikker, maar wel geheeld.

Voor dit artikel maakte Lamyae Aharouay een selectie uit de reacties die NRC de afgelopen tweeënhalf jaar ontving op haar werk. De inzenders die met naam worden genoemd, hebben daarvoor toestemming gegeven.
    • Lamyae Aharouay