Foto Lars van den Brink

‘Het is geen nadeel als je laat zien dat je geraakt wordt’

Zomeravondgesprek Hij weet alles van voetbal, zij van kunst. Robert Eenhoorn, directeur van AZ, en Cathelijne Broers, directeur van de Hermitage en de Nieuwe Kerk, zoeken naar wat hen bindt. „Ik heb lang niet zo veel over mezelf gepraat.”

Een beetje nerveus was hij wel, bekent Robert Eenhoorn. „Ik ben altijd met sport bezig. Van kunst weet ik weinig.” Dus toen de vraag kwam of hij een avond wilde tafelen met Cathelijne Broers, moest hij even kijken wie dat is. Hermitage? Nieuwe Kerk? Het zei hem weinig.

Maar nieuwsgierig was hij ook. Succesvolle mensen interesseren hem. Haar wereld is de zijne niet, maar Broers heeft het wel tot „directrice” geschopt. „We geven allebei leiding”, zegt hij tijdens het half uur dat we op haar wachten in de bar van hotel Blooming in Bergen. „Ook zij moet bijvoorbeeld zaken inkopen en verkopen.”

Eenhoorn (50) is sinds 2014 algemeen directeur van voetbalclub AZ. In zijn spijkerbroek en gympen oogt hij jongensachtig. Over voetbal praten kan hij urenlang, maar het met vreemden over zichzelf hebben – dat is iets anders. Hij groeide op in een Rotterdams middenstandsgezin, als enig kind. Zijn moeder steunde hem „door dik en dun”, zijn vader was kritischer. „Als ik iets gepresteerd had, ging hij niet mee in de euforie maar wees hij mij op de mogelijkheden voor verbetering.”

Het gezin bracht veel tijd door op Neptunus, een sportvereniging in het noorden van Rotterdam. Pa als bestuurslid, ma achter de bar. Zelf was hij voetballer en honkballer – vooral dat laatste. Hij noemt zichzelf „redelijk talentvol”.

Net als Eenhoorn begint uit te weiden over de relatie met zijn vader, komt Broers binnen. Ze zegt dat haar echtgenoot Gert een fan van Eenhoorn is. Gert is vastgoedondernemer, maar weet veel van sport.

Zelf kon ze hem niet direct plaatsen. „Ik moest je googlen.”

Eenhoorn zegt dat hij op de uitnodiging voor het gesprek inging omdat zijn zoon van musea houdt.

„Een wonderkind”, zegt Broers opgewekt. „Houdt hij meer van moderne of oude kunst?”

„Eh, nou,” zegt Eenhoorn, „hij houdt vooral van techniek”.

Portret van een jongeman

Cathelijne Broers (49) is sinds 2011 directeur van museum de Hermitage en De Nieuwe Kerk in Amsterdam. Ze bekent dat ze „niet zo veel met sport heeft”. Tot haar 35ste heeft ze gehockeyd „in niet nader te noemen elftallen”. Voetbal vindt zij wat saai.

Het valt even stil.

„Hoeveel mensen werken er bij jou?”, vraagt Eenhoorn.

„52, 49 fte’s. De Nieuwe Kerk en de Hermitage hebben eigen programmeringen en besturen, maar aan de achterkant zijn wij één team.”

Ik probeer mijn gezin niet te runnen zoals de organisatie

Cathelijne Broers, directeur Nieuwe Kerk en Hermitage Amsterdam

Broers vertelt over de 17de-eeuwse Nieuwe Kerk, nu een cultuurcentrum dat zich specialiseert in tijdelijke tentoonstellingen, en de Hermitage, een dependance van het gelijknamige museum in Sint-Petersburg. Acht maanden lang was daar de tentoonstelling ‘Hollandse Meesters’ te zien. Afgelopen voorjaar werd Portret van een jongeman er geëxposeerd, het door Jan Six ontdekte schilderij van Rembrandt. „Jan belde acht weken voor de opening”, zegt Broers. „Hij wilde niet dat mensen bij zijn galerie zouden gaan aanbellen. De Hermitage heeft geen vaste collectie, en in korte tijd hebben we dat voor hem kunnen regelen.”

Lees ook: Dringen in de Hermitage om als eerste de nieuwe Rembrandt te zien

Eenhoorn luistert aandachtig. „Best veel”, zegt hij dan, „49 fte’s. Bij AZ hebben we ongeveer het driedubbele. Krijgen jullie geld van de overheid?”

Broers: „De Nieuwe Kerk kreeg 35 jaar overheidssubsidie, maar Halbe Zijlstra vond dat het wel een tandje minder kon.” De oud-staatssecretaris van Cultuur schrapte in 2011 de jaarlijkse bijdrage van twee ton.

Krijgt het Rijksmuseum wél subsidie, vraagt Eenhoorn.

Natuurlijk, zegt Broers. „Het Rijks heeft gigantische collecties. Het kost veel geld om die te beheren, conserveren, klimatiseren. Dat kan je nooit uit de markt halen.”

Broers zegt dat het haar „een kick” geeft om met weinig middelen en steun van sponsoren mooie tentoonstellingen te organiseren. Daar komt bij, zegt ze, dat de overheid een onbetrouwbare partner kan zijn. „Zijlstra meldde heel kort van tevoren dat we twee ton per jaar kwijtraakten, juist omdat we aan het ondernemen waren. Toen ik tegensputterde, zei hij: ‘Daar heb je toch wel een sponsor voor?’ Een spónsor? Hallo? Heeft u ooit op sponsors gejaagd?”

Ze vond de ingreep onredelijk, zegt Broers, maar heeft niet meteen stennis geschopt of de krant gebeld. „Je kunt beter plan B, C, en D verzinnen. Tom Poes, verzin toch eens een list.”

Broers vraagt waar AZ het meeste mee verdient: de in- en verkoop van spelers, of het prijzengeld?

Het prijzengeld valt tegen, zegt Eenhoorn. „En de verkoop van spelers kun je niet plannen. Spelers koop je zoals je schilderijen koopt: in de hoop dat zoveel mogelijk mensen het mooi vinden.”

Broers: „Dus je leidt een speler op met het oogmerk hem te verkopen?”

„Nou, nee”, zegt hij. „Goede spelers wil je altijd houden, maar in het voetbal gaan de allerbesten altijd weg. Alleen internationale topclubs – Barcelona, Milaan, Manchester United – kunnen goede spelers lang behouden.”

Gepamperd en bewierookt

Robert Eenhoorn vertelt dat hij ooit een dag heeft doorgebracht bij het Nederlands Dans Theater.

Broers, verbaasd: „Hoe kwam je dáár terecht?”

„Ik kende de fysiotherapeut van het Dans Theater. Ik vond het vooral mooi om te zien hoeveel controle dansers over hun lichaam hebben. En wat een passie! Ze trainen harder dan de meeste sporters.”

museumdirecteur
Foto Lars van den Brink
Het aantekeningenboekje van Cathelijne Broers.
Foto Lars van den Brink

In rap tempo vertelt hij over zijn loopbaan. Voor hij directeur van AZ werd, was hij technisch directeur van de Nederlandse honkbalbond. Daarvoor was hij coach, onder meer van het Nederlands team. En toen hij nóg jonger was, speelde hij zelf, voor een van de grootste honkbalclubs van de wereld: de New York Yankees.

Broers veert op. „En dan? Dan zit je daar bij de Yankees. Hoe is dat?”

Eenhoorn: „Toen ik het hoofdteam had gehaald, had ik redelijk snel door dat ik op mijn positie niet de beste was.” Als korte stop verloor hij de concurrentiestrijd van Derek Jeter, die zou uitgroeien tot een van de meest iconische Yankees ooit. „Dat ik aan hem mijn plaats verloor, kon ik wel accepteren. Al trok ik die conclusie natuurlijk niet al na één dag.”

Broers: „Maar werd je gepamperd en bewierookt? Kreeg je een huis?”

Eenhoorn schudt zijn hoofd. „We hadden als team wel een eigen vliegtuig. Het is gek hoe snel dat went.”

Eenhoorn vraagt of Broers ooit zelf heeft geschilderd.

Nee. Ze studeerde kunstgeschiedenis in Florence. „Ik was geen sterspeler op de middelbare school. Maar kunst vond ik leuk. Net als architectuur, maar daar had ik het vakkenpakket niet voor.”

Eenhoorn vond school „zonde van de tijd”. Hij bracht zijn tijd veel liever op het sportveld door.

De fotograaf, die geduldig heeft staan wachten, vraagt of ze bereid zijn een stukje te fietsen naar een meertje in de duinen. Broers verruilt haar hakken voor een paar slippers.

Spelers koop je zoals je schilderijen koopt: in de hoop dat zoveel mogelijk mensen het mooi vinden

Robert Eenhoorn, directeur AZ

Krulhazelaars

Met moddervoeten schuift ze anderhalf uur later als eerste aan tafel aan. „We stonden in een zompig moeras”, vertelt ze. „Ik zag krulhazelaars. Een watertje. De lichtval was prachtig. Alsof ik in een schilderij van Jacob van Ruisdael was beland.”

Eenhoorn: „Ik vond het vervelend dat de fotograaf jou met je slippers door de modder liet lopen. Ik had het zelf niet zo gedaan.”

Ze bestellen wijn. Als vanzelf komt het gesprek weer op hun jeugd. Eenhoorn vertelt dat hij als jongen graag de grenzen van zijn leraren verkende. „Ik vond het niet vanzelfsprekend om orders op te volgen van iemand die boven mij stond.”

„Kreeg je daar in de sport geen problemen mee?” vraagt Broers. „Die is toch heel hiërarchisch?”

Hij zegt dat hij inderdaad vaak „de dialoog opzocht”. „In Nederland wordt dat geaccepteerd, in Amerika minder.”

Broers wil weten hoe dat dan ging toen hij eenmaal coach was: moedigde hij toen tegenspraak juist aan?

„Ja, maar als iemand zonder kennis of kunde zich afzet, heb ik daar wel moeite mee”, zegt Eenhoorn.

Steeds weer komt Eenhoorn terug bij het thema ‘excelleren’. Hij zegt dat hij de lat voor iedereen bij AZ hoger en hoger probeert te leggen. „Toen ik begon, was de doelstelling: regionale club die de top uitdaagt. Nou, dat is niet iets waar ik mijn bed voor uitkom.” De club die vorig seizoen als derde eindigde, moet wat hem betreft de ambitie hebben om „structureel in de top-drie te staan”.

Hij houdt er niet van tijd te verliezen en steekt zijn energie in zaken waar hij controle over heeft. „Aan de rest stoor ik mij niet.”

„Had ik maar een teflonlaagje”, zucht Broers. Gevoelens van irritatie en frustratie verbergt zij vaak, zeker op haar werk. „Zoals toen de subsidie werd ingetrokken. Dat voelt onrechtvaardig. Waarom een organisatie straffen voor goed gedrag? Dat ráákt me.”

Eenhoorn: „Als je laat zien dat iets je raakt, wordt ook duidelijk hoe belangrijk het voor je is. Ik zie dat niet als een nadeel. Op z’n tijd kan het best goed zijn. Maar ik begrijp je wel, hoor. Je voelt je verantwoordelijk. Bij mij is het niet anders.” Eén verkeerde uitkomst in een wedstrijd kan zomaar het werk van 150 mensen beïnvloeden – daar denkt hij vaak aan.

Foto Lars van den Brink
Foto Lars van den Brink

In de overdrive

Broers vertelt dat werk en moederschap even belangrijk voor haar zijn. De juiste balans vinden en niet alles perfect willen doen: het is lastig. Maar de combinatie werkt ook relativerend. Van twee ton subsidie mislopen naar een gymtas zoeken voor haar jongste – er zit maar twintig minuten fietsen tussen. „Ik probeer mijn gezin niet te runnen zoals de organisatie.”

Toen ze solliciteerde voor het directeurschap deed ze zichzelf een coach cadeau. Broers was adjunct toen Ernst Veen, haar voorganger, als directeur van de Nieuwe Kerk en de Hermitage vertrok. „Ik wilde hem opvolgen, maar dacht dat ik kansloos was. Ze kenden me, maar hadden mij niet gevraagd te solliciteren.” Normaal bespreekt zij dit soort dingen met haar man, zegt Broers, maar nu wilde ze een professional in de arm nemen. De coach, een vrouw, hielp haar om een strategie te bepalen. Hoe zet je je als jonge vrouw neer als de directeur? Wat zeg je als ze vragen ‘wat je anders gaat doen’, terwijl je als adjunct het beleid mede hebt ontwikkeld? Hoe laat je zien dat je beslissingen kan nemen? „Zonder in de overdrive te gaan, want dan ben je als vrouw al snel kattig of steil.”

Eenhoorn: „Ik vind het lastig als mensen van buiten, zonder voldoende kennis van onze organisatie, mij vertellen hoe ik dingen moet doen.”

Broers zegt dat een „frisse blik” heel nuttig kan zijn. „Die coach leerde me dat je je niet hoeft blind te staren op details en best een blokje om kunt gaan tussen twee vergaderingen door.”

Eenhoorn vertelt dat hij werk en privé moeilijk kan scheiden. Thuis zijn is niet altijd aanwezig zijn. In zijn hoofd gaat het werk altijd maar door. „Voor mijn gevoel gaat het wel steeds beter.”

Zijn vrouw heeft de opvoeding van hun zoon op zich genomen. Zoals ze hem ook achterna reisde naar Amerika. Of dat zelfopoffering is? Eenhoorn weet het niet. „Ik neem aan dat ze er volledig achter stond. Maar de consequentie is natuurlijk wel dat ík mij volledig kon ontplooien.”

Er waren tijden dat Eenhoorn vroeg van huis ging en laat thuiskwam. Dan lag zijn zoon al op bed. Op een gegeven moment wilde hij dat niet meer, een verhuizing naar Noord-Holland volgde. „Ik heb al een groot deel van mijn eerste zoon gemist. Dat voelde niet goed.”

Er valt een stilte. „Ik ken niet het hele verhaal”, zegt Broers dan. „Maar toen ik je googlede, las ik over je zoon.”

Ryan overleed in 2003 aan nierkanker. Hij was zes jaar. Eenhoorn heeft zijn dood nooit helemaal kunnen verwerken. Lang weigerde hij zijn eigen verjaardag te vieren, omdat het ongepast voelde. „Maar wat voegt het toe om er steeds over te praten?”

Eén keer deed Eenhoorn dat wel, in het tv-programma 30 hoog van Frénk van der Linden. „In dat interview ging ik dieper dan ik eigenlijk wilde. Kennelijk had ik op dat moment juist grote behoefte om het te vertellen.” Zijn vrouw vond Eenhoorns openhartigheid te confronterend en dat begreep hij achteraf wel. „Het ging ook over háár”, zegt hij. Daarom mijdt hij het onderwerp sindsdien in interviews.

Na de dood van Ryan ging Eenhoorn vrij snel weer aan het werk als bondscoach. „Dat was mijn manier om ermee om te gaan.” Een bewuste vlucht waarschijnlijk, erkent hij. Hij sprak er destijds niet over met zijn spelers. „Ik wilde niet beoordeeld worden op dingen die…” – hij maakt zijn zin niet af.

„Ik ken maar een fractie van je verdriet”, zegt Broers. „Het is heel persoonlijk, ingrijpend en intiem. Is het niet te groot om zoiets in een interview te delen?”

Eenhoorn: „Ik heb veel interviews gegeven en kan vragen ook wel omzeilen. Maar wat zeg je als iemand de – op zichzelf doodnormale – vraag stelt of je kinderen hebt? Het liefst zou ik antwoorden: ‘Twee zoons, maar één van hen leeft niet meer’.”

Broers vraagt of hij bang is voor de reactie van de ander.

„Ja”, zegt hij. „Een prettig gesprek kan door zo’n vraag ineens een ongemakkelijke situatie worden. Elke keer weer weeg ik af wat ik zal antwoorden. Ik laat het vaak afhangen van de omstandigheden.”

Eenhoorn heeft zich voorgenomen om zijn andere zoon te helpen een passie te vinden. „Dat vind ik nét iets belangrijker dan kampioen worden met AZ.”

directeur voetbalclub
Foto Lars van den Brink
De telefoon van Robert Eenhoorn met aantekeningen over Cathelijne Broers.
Foto Lars van den Brink
Foto Lars van den Brink

De nieuwe Rembrandt

De stemming wordt losser als de ober quinoa met kreeft en zeebaars serveert. Broers zegt dat ze benieuwd is naar de jeugdopleiding van AZ. De Hermitage scout creatief talent en de sportwereld is daarbij een voorbeeld.

„Hoe oud zijn de kinderen?”, vraagt Eenhoorn.

„Acht, negen. Ze komen binnen in schoolklasverband, kijken kunst met onze docenten en maken daarna kunst in het atelier op basis van wat ze gezien hebben. De opvallendste kinderen nodigen we uit voor een speciaal talentenprogramma. Vier jaar lang mogen ze gratis kunstonderwijs volgen.”

Leraren kunnen het niet altijd plaatsen. Hoe kan een leerling die niet goed is in taal, rekenen en sport, wél creatief talent hebben? „Een moeder van een jongen uit Amsterdam Zuid-Oost duwde haar zoon altijd naar buiten als hij zat te tekenen. Hup, voetballen jij. Terwijl hij voetbal stom vond. Ze heeft ons wel vier keer gebeld met vragen. Maar toen haar zoon eenmaal in ons talentenprogramma zat, kreeg hij stiften en verf met Sinterklaas. Nu zit hij op de Filmacademie.”

Het doel van het talentenprogramma is niet om de nieuwe Rembrandt te ontdekken, zegt Broers. „We leiden kinderen op met een open blik. Door ze te laten samenwerken met leeftijdgenoten uit een andere buurt, met een andere achtergrond.”

„Onze jeugdopleiding draait niet alleen om voetbal”, zegt Eenhoorn. „Wij trainen ook hun brein. Want met goed voetbal alleen haal je niet de top.”

„Hoe train je hun brein?”, vraagt Broers.

Eenhoorn: „Ze zetten bijvoorbeeld een driedimensionale bril op, waarmee ze wedstrijden kunnen naspelen. Zo krijgen ze meer ruimtelijk inzicht en leren ze hoe je beslissingen neemt.”

Hij zegt dat jeugdvoetbal hem minstens zoveel interesseert als het eerste elftal.

Aan het einde van de avond vragen we of ze durven voorspellen hoe het leven van de ander er over vijf jaar uitziet.

„Ik zie Robert wel iets groters doen”, zegt Broers. „Iets bij een grotere club, of bij de voetbalbond. Maar dat bestuurlijke alleen is voor jou niet voldoende, hè?”

Eenhoorn: „Ik ben geen carrièreplanner. Mijn werk moet uitdagend zijn. Als dat niet zo is, ben ik weg.”

Broers zegt dat ze het leuk zou vinden om ooit een buitenlands museum te besturen. „Maar ik denk niet dat ik gebeld word.”

Eenhoorn kijkt verbaasd. „Waarom niet?”

„Omdat ik in het buitenland niet zo zichtbaar ben.”

Eenhoorn belooft dat hij bij het ontbijt een voorspelling zal doen over Broers’ carrièreverloop.

Grote Kerk

De volgende dag om half negen zitten ze weer aan tafel.

„Ik heb lang niet zo veel over mezelf gepraat”, zegt Robert Eenhoorn.

„Wat mij aan jou opviel”, zegt Cathelijne Broers, „is je enorme kalmte. Jij laat niets aan het toeval over, maar hebt ook veel te geven.”

Eenhoorn heeft ’s nachts over de toekomst van Broers nagedacht en voorspelt dat zij de komende vijf jaar meerdere aanbiedingen krijgt. Ze weet wat ze wil, zegt hij, en maakt vrij snel verbinding. „Of ze moeten blind zijn in de kunstsector, maar dat lijkt mij niet. Een kunstkenner moet goed kunnen kijken.”

Broers lacht.

„Je geeft leiding aan twee serieuze organisaties”, vervolgt Eenhoorn. „De Hermitage en de Grote Kerk – of was het nou de Nieuwe Kerk?”

Broers: „De Nieuwe Kerk. Maar hij is wel groot.”

    • Danielle Pinedo
    • Rogier van 't Hek