Opinie

    • Marike Stellinga

Een goede dag voor redelijke mensen

Anderhalf jaar geleden voerde Europa een indringend gesprek over de democratische legitimiteit van handelsverdragen. Deze week was het zoeken naar kritische geluiden. Is dat terecht?

Ronkender kon het bijna niet. ‘EU-president’ Donald Tusk noemde het dinsdag „een goede dag voor redelijke mensen,” en „een licht in de toenemende duisternis van de internationale politiek.” Waar had Tusk het over?

Nee, niet over migratie, defensie of klimaat, hij had het over het handelsverdrag dat de Europese Unie deze week officieel beklonk met Japan. De onverholen boodschap: terwijl Donald Trump de EU en China bestookt met hogere importheffingen, gaan Europa en Japan wél door op de oude weg van vrijhandel. EPA, zoals het verdrag heet, is volgens Tusk het grootste bilaterale handelsverdrag ooit. Het verdrag schrapt bijna alle tarieven op producten die worden verhandeld tussen Japan en de EU – en raakt 600 miljoen mensen en eenderde van de wereldeconomie, aldus een trotse EU.

Dat is toch knap voor een continent waarvan ruim 1,5 jaar geleden nog de vraag gesteld werd of het ooit nog handelsverdragen zou kunnen sluiten. In 2016 liep het verzet tegen CETA, het verdrag met Canada, zo hoog op in lidstaten als België, Duitsland en Nederland dat het gevoel was dat de EU nooit meer in de luwte van internationale achterkamertjes verdragen zou kunnen sluiten. Hier leek voorgoed het licht van de kritische publieke opinie op gezet.

Maar dat kan de EU dus nog wel. Sterker nog, je moet nu zoeken naar kritische geluiden. Dit keer geen protestmarsen en verhitte debatten. Dit verdrag hoeft niet langs de parlementen van de lidstaten voor goedkeuring. Kans op onverwacht nationaal verzet van volksvertegenwoordigers is er dus niet, zoals in het Waalse parlement er wel was tegen CETA.

Betekent de stilte dat het verdrag met Japan beter is dan dat met Canada? Nee, zeggen de groepen die zich eerder verzetten tegen CETA. Er is wel een groot verschil: in het verdrag met Japan zit geen ‘investeringsrechtbank’ waar buitenlandse investeerders schadeclaims tegen overheden kunnen indienen. De EU veranderde na een golf van kritiek de opzet van zo’n arbitragetribunaal. Japan wilde daar niet in mee. Er wordt apart verder over onderhandeld.

Het is nu zoeken naar kritische geluiden. Dit keer geen protestmarsen en verhitte debatten

Maar die bescherming voor investeerders was niet het enige bezwaar dat critici aanvoerden tegen CETA. Er was ook de angst dat de standaarden voor voedselveiligheid (de chloorkip!) en arbeids- en milieunormen erodeerden. De EU hanteert hoge normen, is de gedachte. Door elkaars standaarden te erkennen gaan die naar beneden, vrezen critici.

Het levert de gekke situatie op dat nog geen 1,5 jaar geleden Europa een indringend gesprek voerde over hoe handelsverdagen meer democratische legitimiteit konden krijgen. En dat nu de Europese Commissie het als haar taak lijkt te zien zo snel mogelijk zoveel mogelijk verdragen te sluiten om Trump een hak te zetten: achter een verdrag met Mexico en met Latijns-Amerikaanse landen (Mercosur) wordt ook vaart gezet. De kritische blik lijkt verdwenen.

Juist dat is jammer. Want ook al zat er overdreven bangmakerij in de kritiek, de vragen die voorlagen zijn er nog steeds. De belangrijkste: als regeringen toch verdragen uitonderhandelen met duizenden pagina’s aan afspraken, waarom staat daar dan zo weinig dat multinationals niet leuk vinden, maar veel politici wel belangrijk? Over belastingontwijking bijvoorbeeld, of over schoner produceren. Van de kritiek werden de verdragen alleen maar beter.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft elke week op deze plek over politiek en economie.
    • Marike Stellinga