De Haïtianen rellen om benzine en bestuur

Brandstofprijzen De Haïtiaanse regering moet de subsidie op brandstof stoppen voor een IMF-lening. De bevolking pikt de hogere prijzen niet.

Op Haïti braken bloedige rellen uit nadat de overheid deze maand de brandstofprijs fors verhoogde. Haïti is het armste land van het westelijk halfrond. Foto Jean Marc Hervé Abelard/EPA

De tweede helft van de WK-voetbalwedstrijd van Brazilië tegen België was net begonnen en de Haïtianen zaten vol spanning thuis, in bars en winkeltjes aan de televisie gekluisterd om hun favoriete land Brazilië te zien spelen. Juist dit moment koos de Haïtiaanse president Jovenel Moïse om een persconferentie te beleggen en het impopulaire nieuws te lanceren: een verhoging van de brandstofprijs met 50 procent.

„Als Brazilië die wedstrijd had gewonnen, was het nieuws over de brandstofverhoging misschien niet direct zo hard aangekomen, maar pas later”, zegt de Haïtiaanse rapper Phozer Luis vanuit zijn wijk Cité Soleil, in Port-au-Prince. „Maar toen Brazilië verloor en het slechte nieuws over de verhoging pas goed tot de mensen doordrong, brak de hel los.”

Zelf ging hij ook de straat op om te protesteren met wat vrienden, maar de sfeer werd al snel grimmig. Wegen werden gebarricadeerd, autobanden in brand gestoken, er werd geplunderd en er viel een tiental doden. Vorig weekend kwam premier Jack Guy Lafontant zo onder druk te staan door de bloedige rellen dat hij moest aftreden.

De verhoging van de brandstofprijs komt voort uit de overeenkomst die president Jovenel Moïse in februari sloot met het Internationaal Monetair Fonds voor een lening van 96 miljoen dollar. Haïti, 11 miljoen inwoners, is het armste land van het westelijk halfrond. Het land kampt met grote werkloosheid, een inflatie van 14 procent en 60 procent van de bevolking moet overleven van minder dan 2 euro per dag.

Smokkelhandel

Voor het aangaan van de lening bij het IMF had Haïti ingestemd met verschillende overheidshervormingen, zoals het loslaten van de subsidie op brandstofprijzen die de overheid jaarlijks 160 miljoen dollar kost. Daarbij verliest Haïti een hoop subsidie aan buurland de Dominicaanse Republiek omdat er een levendige smokkelhandel is van naar schatting 6.000 vaten benzine per dag.

„In de Dominicaanse Republiek is brandstof veel duurder dan bij ons”, zegt Jude Patrick Salomon, minister van Economische Zaken. „Wij financieren feitelijk dus de brandstof die de grens over gaat en waar de Dominicanen van profiteren. Dit drukt enorm op onze eigen economie en dat moet stoppen.” Haïti produceert geen olie en is voor benzine, net als voor veel andere producten, volledig afhankelijk van import.

De olieprijs schoot dit jaar snel omhoog. Lees ook: Olie zit weer in de achtbaan omhoog

De verhoging is een regelrechte ramp voor de Haïtiaanse bevolking. Benzine is zonder de verhoging al bijna niet betalen. Veel Haïtianen hebben geen auto, ze zijn afhankelijk van de tap tap, tot busjes omgebouwde kleurrijke pick-up trucks of lopen dagelijks lange afstanden. Een huishoudster met twee kinderen, die van een minimum salaris van gemiddeld 3,50 euro per dag moet rondkomen, is dagelijks al de helft van haar inkomen kwijt aan schooltransport.

Camille Chalmers, econoom en socioloog in Haïti, spreekt van een fundamentele fout van de regering om de brandstofprijs te verhogen. „Dit is pure minachting voor de bevolking. Je kunt mensen die toch al bijna niets hebben niet laten opdraaien voor de fouten van de autoriteiten. We hebben vorig jaar ook al een reeks prijsstijgingen gehad en mensen pikken dit niet meer. Helemaal niet van corrupte machtshebbers”, zegt Chalmers.

Chalmers doelt op het grote Petrocaribe schandaal dat vorig jaar aan het licht kwam, toen bleek dat regeringsfunctionarissen minstens 2 miljard dollar achterover hadden gedrukt. Petrocaribe, een deal tussen Venezuela en een aantal Caribische landen waaronder Haïti, waarbij het olierijke Venezuela goedkope olie levert tegen een zachte lening, staat al behoorlijk onder druk sinds de ingrijpende economische crisis in Venezuela. „Dat geld is bedoeld voor onze groei en ontwikkeling van Haïti. En dan worden al die miljoenen zomaar verdeeld onder een paar oplichters”, zegt rapper Phozer boos.

Mooie woorden

„We willen ons minder afhankelijk maken van alle westerse hulporganisaties die hier al jaren komen. We willen onze eigen productie opvoeren en investeren in de landbouw zodat we onze bevolking eten kunnen geven.” Dat waren de mooie woorden van president Moïse bij zijn aantreden in 2017, maar veel is er nog niet van terecht gekomen. Volgens de boeren, die buiten de hoofdstad Port-au-Prince in coöperaties werken, en onder meer rijst verbouwen, is er die beloofde investering in de landbouw geen sprake.

Wegen werden gebarricadeerd en er viel een tiental doden

Sterker: nu gaan de Haitianen het zoveelste avontuur aan met een hulpverlener, dit keer het IMF, terwijl het land als drijft op Europese en Amerikaase hulpgelden. „Voor die hulpverleners en al die hulporganisaties is Haïti een verdienmodel geworden, terwijl de bevolking straatarm blijft”, zegt Chalmers.

Ook raken steeds vaker hulpgroepen in opspraak. Zo verspreidden militairen van een VN-vredesmacht cholera onder de Haïtianen en maakten hulpverleners zich schuldig aan kindermisbruik. Vorig jaar kwam Oxfam Novib in opspraak nadat was gebleken dat medewerkers in Haïti betrokken waren bij een seksschandaal met minderjarige prostituees in de nasleep van de desastreuze aardbeving in 2010 waarbij meer dan 300.000 doden vielen.

Na de hevige protesten van afgelopen week probeerde president Moïse snel de schade te beperken. Hij bevroor de stijging van de brandstofprijs voor onbepaalde tijd, maar de geest was al uit de fles. Vakbonden hebben al een reeks nieuwe protesten aangekondigd en na het aftreden van premier Jack Guy Lafontant is de regering wankel. Als het aan de bevolking ligt, zijn ook de dagen van president Jovenel Moïse geteld.

    • Nina Jurna