Het is zomer, dé tijd om te wandelen over de heide

Seizoenswandeling In de zomer wandelen we in een eindeloos mozaïek van zand en struikheide. Met fata morgana’s door de hitte.

Illustratie Tjarko van der Pol

Witte schimmen in de verte. Wie op een stille zomernamiddag over de Hoorneboegse Heide bij Hilversum loopt en griezelgevoelig is aangelegd, kan al gauw spoken zien. Ach, onzin natuurlijk – we zijn te oud voor sprookjes. Die witte gedaanten beelden we ons vast in. Fata morgana’s door de hitte. De zon schijnt, er is geen zuchtje wind.

Her en der zien we een vleugje paars: Calluna vulgaris ofwel struikheide. Daarnet, op het Laapersveld zagen we ook dopheide (Erica tetralix), lila van kleur, maar hier is het hoger en droger. Ideaal voor de stugge struikheidetwijgjes. Eeuwenlang werden die takjes gebruikt om matrassen mee op te vullen of de vloer mee te bezemen. De wetenschappelijke naam komt zelfs van het Griekse woord voor ‘reinigen’. Nu blijft het nog bij enkele ontluikende takjes, maar binnen afzienbare tijd zal het hele veld dieppaars kleuren.

Hier vind je de route van de NRC-seizoenswandeling.

In de verte zien we glooiingen. Grafheuvels, vertelt een voorbijganger die zijn golden retriever uitlaat. Overblijfselen uit de Bronstijd, zo’n vierduizend jaar geleden. Destijds was het landschap nog lang zo open niet als nu. Sterker nog: rond 1000 na Christus was Nederland nog voor het grootste deel begroeid met bossen. Niet toevallig verwijst Holland naar ‘Holtland’, oftewel houtland. Inmiddels is de Hoorneboegse Heide een eindeloos mozaïek van zand en struikheide. Een heidewoestijn.

Exotische natuur

Een beetje extra zonnebrandcrème nog maar, een slokje water. Voor wie eikenbos en stadspark gewend is, voelt dit als exotische natuur. Geen huizen, geen wegen, zelfs geen kiosk om een ijsje te kopen. Maar strikt genomen is dit mensenterritorium. Zonder ons was de heide er niet geweest; dan was dit nog altijd bos. Pas toen de boeren kwamen, moesten de eiken en berken wijken voor zand en heide. Die heidevelden werden kortgehouden door schapen, die ’s nachts op stal stonden. De schapenstallen werden bedekt met heideplaggen, die met de schapenpoep een vruchtbaar mestmengsel vormden voor op de akkers. Zo werd de heide steeds kaler en schraler. Echt veel heide hebben we in Nederland niet meer over: zo’n 6.000 hectare. 1 procent van wat we halverwege de negentiende eeuw hadden. Maar door de komst van kunstmest verdween veel heide.

Hier staat een eenzame vliegden. Waarom in een bos groeien als het ook hier kan, met alle ruimte om je heen?

Weer een witte vlek. Dichterbij nu – duidelijk geen ingebeelde schim meer. Een witte vlek met vier poten, een paar forse horens en een zwiepende staart die vliegen op afstand houdt. De schapen van destijds hebben plaatsgemaakt voor charolais-runderen: in mei 2004 werden hier twaalf koeien losgelaten. Een luizenleventje, zo lijkt het: naar hartenlust grazen en rondkuieren over de heide. Maar ook koeien kunnen last krijgen van een burn-out. Dag in dag uit krijgen ze bezoek in hun gebied: wandelaars, nordic walkers, honden. Op zich gaat dat prima samen, maar als de gasten te dichtbij komen levert dat stress op. Daarom is afstand houden – minstens 25 meter – zo belangrijk. We bellen het Goois Natuurreservaat voor meer informatie, maar het hoofd veeverzorging blijkt onbereikbaar. En dus halen we het vergeelde krantenartikel dat we ooit uit Trouw knipten tevoorschijn. Daarin staat hoe de koeien, kort na hun entree op de Hoorneboegse Heide, een jaar werden getest op hun tolerantie door een diergedragdeskundige: „Ze werden belaagd met kinderwagens, paraplu’s en vliegers; er werden honden, fietsers, paarden en hardlopers langs gestuurd. De twaalf charolais slaagden cum laude.” Maar voor de incidentele koe die toch overprikkeld raakt, heeft het Goois Natuurreservaat een oplossing: ze gaan op retraite in een klooster op de nabijgelegen Monnikenberg, in de weide van de Augustijner zusters. Net zoals vroeger overspannen moeders soms bij de nonnen logeerden om tot rust te komen.

Ook wij rusten uit, in de schaduw van een eenzame den: een zogeheten vliegden. De stuifmeelkorrels van de grove den hebben twee grote luchtzakken, onder de microscoop lijken ze wel wat op Mickey Mouse-oren. Daardoor kunnen ze kilometersver vliegen, en zo landen her en der solitaire dennen – de rustzoekers onder de bomen. Waarom in een bos groeien als het ook hier kan, met alle ruimte om je heen?

Niet altijd paars geweest

De Hoorneboegse Heide oogde niet altijd paars: rond de eeuwwisseling was de natuurlijke successie zo ver gevorderd dat hier vooral vogelkers en grassen zoals pijpenstrootje groeiden. Om de heide terug te krijgen, moest de verbossing worden tegengegaan, en begrazing was daarvoor een goedkope methode.

Niet alleen het landschap heeft baat bij de aanwezigheid van de koeien. Zo zijn er paddestoelensoorten die specifiek mestminnend zijn, de zogeheten saprofyten. En op de koeienvlaaien komen vliegen en andere insecten af – die leggen er hun eitjes. De larven eten van de mest. Poep doet leven.

Eenmaal in de schaduw van de beuken en eiken zien we een andere voortplantingslustige soort: balsemien, oftewel springzaad. Die verspreidt zich niet met behulp van de wind of van koeienpoep. De zaadjes zitten in een omhulsel dat dikker en dikker wordt. Vervolgens barst het bij de kleinste aanraking open en schiet het zaadje eruit. Niets zo leuk als de natuur een handje helpen en knijpen tot de zaadjes wegspringen.

We steken een natuurbrug over en komen in het Dassenveld, waar de meest westelijke dassenpopulatie van Nederland woont. Geen das te zien; wel Schotse hooglanders die vanuit de bosjes naar ons gluren en ons zelfs een stukje volgen tot aan het Hilversums Wasmeer.

Dat dankt zijn bestaan aan een ijzerhoudende laag in de bodem die geen water doorlaat. Hier werden tot pakweg een eeuw geleden de schapen gewassen, maar langzaamaan werd de voedselarme bodem steeds voedselrijker – door schapenpoep wellicht, maar ook door luchtvervuiling: te veel stikstof. Daarom werd ruim twintig jaar geleden de vruchtbare bovenlaag afgeplagd, waarna zeldzame plantensoorten als klein zonnedauw en veenpluis terugkwamen. Ook het water in het meer is voedselarm; vissen komen er nauwelijks voor. Veel talrijker zijn de libellen die over het wateroppervlak scheren. We blijven roerloos zitten, hopend op een passerende boomvalk – „Peuzelt libellen in vlucht op”, lazen we op de website van Vogelbescherming – maar een dramatische duikvlucht blijft uit.

In de reflectie van het Wasmeer zien we weer een witte schim. Geen horens ditmaal, geen zwiepende staart. Alleen een bijna volmaakte cirkel: het silhouet van de wassende maan. Sprookjesachtig mooi.

    • Gemma Venhuizen