Voor de wilde bijen is de nectar nu veel te stroperig

Natuur De Strabrechtse Heide is een paradijs voor insecten. Maar nu even niet.

Jap Smits, boswachter en entomoloog op de Strabrechtse Heide. Arjen Schreuder

Het is stil op de heide. „Je zou nu duizenden bijen moeten zien vliegen, en het zou moeten zoemen van de hommels”, zegt Jap Smits, boswachter en entomoloog op de Strabrechtse Heide in Oost-Brabant. Maar nee. De droogte heeft de insecten verdreven. „Zet hier een stoel en ga de hele dag in de zon zitten. Dan weet je waarom er geen wilde bijen zijn.”

De Strabrechtse Heide is een insectenreservaat. Het landschap is ingericht zoals de heidezandbij en de heidezijdebij, de akkerhommel en het gentiaanblauwtje het graag hebben: schapen houden de hei en de vennen open, er zijn solitaire dennetjes voor schaduw, hier en daar zijn lapjes grond ingezaaid met wildbloeiers en akkerkruiden. „Big Macs voor insecten.” Maar nu is de droogte zelfs in dit paradijs veel soorten te machtig. Ja, sprinkhanen volop. „Die eten gras. Die roepen hoera. En voor de blauwvleugelsprinkhaan kan het niet warm genoeg zijn.”

Niet al te florissant

Lange weken zonder regen hebben het vijfduizend jaar oude cultuurlandschap gehuld in gele en bruine kleuren, in plaats van in wat Smits de „hoofddracht” noemt: een heide vol paarse hei en groen gras. Dopheide had er nu moeten staan. „Maar die is al uitgebloeid.” Struikheide staat er nu, weken vroeger dan normaal, en ook niet al te florissant trouwens: de paarse bloemetjes op de stelen worden al bruin. De boswachter wijst naar een berk. „Zie je de gele blaadjes? Een deel is er gevallen. Het lijkt wel herfst.” De zwarte ooievaar ziet hij ook niet meer. „Hij voedt zich in de vennen met hondsvisjes. Die liggen nu op het droge.”

Jap Smits (63) is al bijna veertig jaar boswachter bij Staatsbosbeheer, met een passie voor alles wat vliegt, kruipt en kriebelt. „Maar ik heb nooit last van insecten.” Smits maakt een lastige periode door. „Wilde bijen hebben nectar nodig om te vliegen. Maar de nectar is nu te dik. Stroperig. Het is heel lastig om die nectar uit de bloem te krijgen.” Imkers uit de omgeving is per brief beleefd te verstaan gegeven dat ze dit jaar beter niet naar de Strabrechtse Heide kunnen komen. „Met zo weinig voedsel voor wilde bijen moet je hier niet dertig kasten met zestigduizend bijen per kast hebben staan.”

Uitgeput door de landbouw

De droogte, vertelt hij, is één van de bedreigingen voor dit Europees beschermde natuurgebied bij Eindhoven. De grond is decennialang uitgeput door de landbouw en bevat onvoldoende mineralen. De kwetsbare flora moet concurreren met het pijpestrootje, een algemene soort die veel dieper wortelt dan hei.

Op sommige laagten van de Strabrechtse Heide staat gelukkig nog wel wat klokjesgentiaan, onmisbaar voor het gentiaanblauwtje, de fraaie vlinder die er eitjes op legt. Nergens te bekennen trouwens, dat gentiaanblauwtje. Smits wandelt weer terug naar de bewoonde wereld. Op het allerlaatst, toch nog, een aardige waarneming. Op de bast van een berk fladdert een vlinder. „De roodbandbeer. Een nachtvlinder die ook overdag vliegt.” Toch nog het maken van een foto waard.

    • Arjen Schreuder