Paveses pleister

kiest gedichten uit vakantielanden.

Het allerzwaarste land om vakantie te houden is natuurlijk Italië. Iedereen die ik ken keert er teleurgesteld van terug. Je verwacht zwoele nachten, goede wijn en stapels cultuur, je krijgt een muggenplaag, halfgare gnocci en een goedbedoelde ruïne waar je zelfs met wat fantasie nog geen baptisterium van kan maken. Natuurlijk zijn er memorabele momenten in een lavendelveld in Toscane of een delirische namiddag in een wijnperserij, maar dat verbleekt bij de ongemakken die lokale obers en kinderen veroorzaken.

Er is geen enkele ervaring die door te hoge verwachtingen niet kan worden verpest. Wat dat betreft zijn vakantie en poëzie zeer aan elkaar verwant. Van beide denkt men dat ze mooi zijn, voor inzichten zorgen en ontspannen, en juist daardoor stellen ze regelmatig teleur. Dat neemt niet weg dat poëzie de deceptie ook ergens kan verzachten. In gedichten wordt er soms een klein venster op een wereld geopend waar we, door erover te lezen, heel even naartoe kunnen. Neem nou dit vers van de Italiaanse dichter Cesare Pavese (1908-1950): het beschrijft het thuiskomen na een lange nacht. Hoe hoopvol zijn die laatste beelden, dat je licht en ochtend bent? Hoe prachtig als de stenen zouden uitademen en de hele stad tegelijk met je ontwaakt?

Hoge verwachtingen kunnen zorgen voor teleurstelling, en poëzie is daarvoor de pleister. Het wekt een wereld op die misschien niet bestaat, maar die wel even een uitvlucht biedt voor die overbevolkte camping naast Firenze. Opeens bevind je je op een perfecte ochtend, ben je weer droog en gezond, en kan je je voorstellen hoe het is om op te gaan in de stad. Rustig te wandelen langs stenen, de nacht is voorbij, en alles lijkt even zo beloftevol dat je het bestaan weer even aankan, zelfs al is het maar voor de duur van één vers.

    • Ellen Deckwitz