‘Onderbouwing ontslag amper getoetst’

Inspectie SZW

De onderbouwing van ontslagaanvragen moet beter gecontroleerd worden, zegt de inspectie. Minister Koolmees weerspreekt dat.

In de ontslagprocedure is betere begeleiding nodig, vindt de Inspectie SZW. Foto Bart Maat/ANP

Uitkeringsinstantie UWV vertrouwt bij ontslagaanvragen te veel op de juistheid van informatie die werkgevers aanleveren. Werknemers zijn in de procedure „duidelijk de zwakkere partij”. Dat is de conclusie van een onlangs verschenen rapport van de Inspectie SZW waar Trouw donderdag over berichtte.

Het inspectierapport gaat over de procedure voor ontslag om bedrijfseconomische redenen. Sinds 2015 moet het UWV daar altijd toestemming voor geven. De uitkeringsinstantie bekijkt de schriftelijke onderbouwing van de werkgever en het verweer van werknemer. Als er nog onduidelijkheden zijn, regelt het UWV extra hoor- en wederhoor.

Volgens de inspectie „steunt” het UWV in zijn oordeelsvorming „in belangrijke mate” op het papierwerk van de werkgever. Wat het UWV níet doet, is eigen informatie verzamelen om de onderbouwing van de werkgever te controleren. Het UWV is wel alert op tegenstrijdigheden.

Volgens de inspectie zou het UWV bijvoorbeeld ook eens een jaarrekening kunnen opvragen bij de Kamer van Koophandel. Of de datum van indiensttreding van de werknemer controleren – die heeft invloed op de hoogte van de ontslagvergoeding.

Lees ook: Stel je voor, opeens ben jij het die wordt ontslagen

Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) is het niet eens met de kritiek, schrijft hij in een reactie die hij naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Volgens Koolmees is het juist de bedoeling dat het UWV „een zekere mate van terughoudendheid” heeft, schrijft hij. Ook civiele rechters werken op die manier, met een zogenoemde ‘marginale toets’. De minister wil geen actievere controles door het UWV. Hij vindt dat de instantie dan te veel „op de stoel van de werkgever” gaat zitten.

Meer bij de hand nemen

Volgens de inspectie mag het UWV best wat uitgebreider controleren, ondanks die ‘marginale toetsing’. Want het UWV heeft óók de wettelijke plicht om de „nodige kennis” te bezitten voordat het een oordeel velt. Bovendien betwijfelt de inspectie of werknemers altijd zelf in staat zijn de argumenten van hun werkgever te weerleggen, zeker als het over „bedrijfseconomische informatie” gaat.

De inspectie vindt dat het UWV werknemers meer „bij de hand” mag nemen, zeker als ze de regels, papieren en formulieren niet helemaal snappen.

Ook daar is Koolmees het niet mee eens. Het UWV moet niet partij kiezen en kan hooguit informatie verstrekken, schrijft de minister. Het moet geen „belangenbehartiger” worden, vindt hij. Daarvoor kunnen werknemers al naar een vakbond, rechtsbijstandsverzekeraar of advocaat.

Een derde kritiekpunt van de inspectie gaat over de regel dat werkgevers geen nieuwe werknemer mogen aannemen voor hetzelfde werk waar korter dan een half jaar geleden nog iemand voor ontslagen is. Dan moet eerst de ontslagen werknemer benaderd worden.

De inspectie concludeert op basis van een enquête dat die regel „in de praktijk weinig betekenis” heeft. Ongeveer de helft van de ontslagen werknemers zegt in de enquête dat zij niet „proactief” in de gaten hebben gehouden of hun oude baan weer op de markt kwam. Van de mensen die dat wél deden, zegt 30 procent dat dat inderdaad gebeurde. Maar van deze mensen zegt slechts één op de tien te zijn benaderd voor die baan.

Koolmees schrijft dat mensen gewoon naar de rechter kunnen stappen als deze regel wordt overtreden. Hij trekt de uitkomst van de enquête in twijfel omdat die uitgaat van de perceptie van de werknemer. „Op basis van percepties kunnen geen nadere conclusies worden getrokken.”

    • Christiaan Pelgrim