Recensie

De herontdekking van vier bijna vergeten Britse grandes dames

Oude Meesters

Plotseling zijn ze er, of eigenlijk waren ze er altijd al: vier geweldige schrijfsters, Brits, bejaard of al dood. Hun werk leeft en wordt nu herontdekt. Waar waren ze al die tijd?

V.l.n.r.: Elizabeth Jane Howard (1923 - 2014), Jane Gardam (1928), Penelope Fitzgerald (1916 - 2000) en Elizabeth Taylor (1923 - 2014). Illustratie: Joost Hölscher

Geuren die je haast ruikt, kleuren die je voor je ziet, grappige vergelijkingen en spannende verwikkelingen. In 2017 stond plotsklaps een achtentachtigjarige auteur in de Bestseller 60: Jane Gardam, met Een onberispelijke man. Dit eerste deel van een trilogie, waarin het leedwezen van een echtpaar en de ondergang van het British Empire beschreven staat, verscheen oorspronkelijk in 2004 als Old Filth. Eindelijk was het vertaald.

Het maakte in Duitsland en Nederland furore. Een jaar later zien veel Nederlandse lezers reikhalzend uit naar de vertaling van het vierde deel in een serie van Gardams generatiegenoot Elizabeth Jane Howard: De Cazalets (van 1990-2013 verschenen in Engeland als The Cazalet Chronicles). En dan zijn er nog Penelope Fitzgerald en Elizabeth Taylor (niet de filmster, maar een naamgenote), van wie onlangs pas werk werd vertaald, door de kleine uitgeverij Karmijn. Alle vier zijn waarachtige Oude Meesters, of Meesteressen, zo u wilt. Fijnzinnig, sprankelend, gelaagd, geestig: hun boeken behoren tot het beste wat de literatuur te bieden heeft. Waar waren ze al die tijd?

De vier schrijvers zijn toen hun werk verscheen wel geroemd en bekroond, maar ze raakten toch ondergesneeuwd. Hun namen ontbreken op lijstjes ‘groten uit de literatuur’; in naslagwerken worden ze zelden genoemd. Dat verandert nu. Beter laat dan nooit. Hun werk bloeit, belangrijke hedendaagse auteurs als Hilary Mantel, Sarah Waters, Julian Barnes en Ian McEwan verklaren zich schatplichtig en zingen hun lof.

Angst voor seks

Deze vier auteurs schrijven geschiedenis, en voor een groot deel: vrouwengeschiedenis. Het gaat niet uitsluitend, maar wel vaak, over hoe vrouwen leefden:

‘Lieve hemel, bespaar me een huwelijk als het uwe,’ roept een dochter tegen een moeder. Die moeder heeft zich al twaalf jaar lang niet uitgekleed, nochtans heeft ze acht kinderen gebaard. (The Blue Flower, Penelope Fitzgerald, 1996)

Zeg naar welk land u op vakantie gaat, en wij zeggen welke boeken bij dat land passen: 73 boekentips voor deze zomer

Een oude vrouw begraaft een parelsnoer in haar bloemperk. Ze kreeg het van haar levenslange minnaar. Ze had een passieloos huwelijk. (The Man with the Wooden Hat, Jane Gardam, 2009)

Twee nichtjes zitten in een tuin te kletsen over ‘doodgewone dingen’ zoals trouwen, wat nu eenmaal moet. Zou het met een ontdekkingsreiziger mogen? Zodat je nog iets meemaakt na de bruiloft? (Marking Time), Elizabeth Jane Howard, 1991)

Een schrijver gaat kopje onder in haar moederplichten; de schilderende buurman zwelgt intussen vrijelijk in zijn kunst. (A View of the Harbour, Elizabeth Taylor, 1947)

Er is veel gedoe over seks in hun boeken. Bij Howard weet een deel van haar personages niet beter dan dat het ‘the nasty side of marriage’ is, waar vrouwen niet van kunnen genieten. Het onderwerp is met angst omgeven, want van seks komt zwangerschap en van zwangerschap baren. Waar je geen kik bij dient te geven. En waar je aan dood kunt gaan. Sommige vrouwen willen geen kind, anderen geen man, weer anderen juist veel mannen – en haast niets wordt openlijk besproken.

Debuut op latere leeftijd

Schrijnend is het. De jonge meisjes in De Cazalets van Howard fonkelen van ambitie, van levenslust, net als hun neefjes. Ze kunnen niet wachten tot ze groot zijn. Maar wat moeten ze veel, eenmaal volwassen, en wat mogen ze weinig.

Deze schrijvers wisten waar ze het over hadden. Vrijwel allen debuteerden ze laat, gebonden als ze waren aan mannen, kroost en omstandigheden. Eerstens waren ze ‘de vrouw van’, ‘de moeder met een hobby’ – net als hun personages. Het schrijverschap kwam pas na de ‘natuurlijke huiselijke plichten van de vrouw’ aan de orde.

Ze schreven niet om een en ander aan de kaak te stellen, ze schreven gewoon vanuit hun ervaring – en zo goed, dat het hun persoon ontsteeg, zoals alle goede literatuur dat doet. In een van Howards boeken, The Long View (1956) is het beroep van de hoofdpersoon volgens haar paspoort ‘married woman’.

Jane Gardam debuteerde op haar vierenveertigste, omdat ze pas kon schrijven toen haar kinderen naar school gingen. Fitzgerald zelfs pas tegen haar zestigste. Howard, heel jong getrouwd, liep weg van man en kind om te kunnen schrijven. Het meest feministisch uitgesproken van de vier was Taylor. In 1941 schreef ze in een persoonlijke brief: ‘I don’t think anything enrages me as much as seeing in famous men’s autobiographies photographs of their studies, libraries, quiet places where they can work. Then I think of Harriet Beecher-Stowe with her yelling baby in one arm and a pen in the other hand.’ Taylor ging echter niet de barricades op. Ze leefde teruggetrokken met man en kinderen.

Verbrande cake

Je zou kunnen stellen dat ze in hun boeken ‘het verhaal van de thuisblijvers’ vertellen. Over de mensen die niet meevochten tijdens oorlogen, maar het moesten zien te rooien waar ze al waren. De helft van de bevolking, minstens.

Helaas werd hier door literair critici lange tijd op neergekeken. Hoe schrander, geestig, veelzijdig en veelomvattend beschreven ook, het huiselijk privéleven, beschreven door een vrouw, werd als oninteressant en niet opportuun gezien. Het leed achter de voordeur was minder boeiend dan het leed in loopgraaf of bommenwerper. Of, zoals Hilary Mantel het eens verwoordde: verbrande lichamen maken meer indruk dan verbrande cake. Niet iedereen dacht er zo over. Vroege steun kwam bijvoorbeeld van Kingsley Amis, een latere echtgenoot van Howard: ‘Importance is not important. Good writing is.

Illustratie: Joost Hölscher

Alle vier de schrijvers worden wel vergeleken met Jane Austen. Dat is een beetje gemakzuchtig, omdat hun insteek, de thematiek, toch verschilt, maar een zekere verwantschap in toon en spotlust is er wel. Andere verwante auteurs (ook maar mondjesmaat in Nederland vertaald), zijn bijvoorbeeld Barbara Pym en Elizabeth Bowen. Onderling was er beïnvloeding bij het viertal. Taylor en Howard waren bevriend. Fitzgerald hield van het werk van Howard. Zij en Gardam zijn stilistisch verwant. Vooral in hetgeen ze niet vertellen: beiden waren van mening dat je de lezer niet te veel moet sturen, en lieten veel bewust oningevuld.

Een jurylid gooide boeken die hem geen discussie waard leken ongelezen uit het treinraam.

Hieruit blijkt hun vakmanschap, want zoiets maakt hun boeken zo spannend. Voor alle vier geldt dat ze precies wisten wat ze deden. Ze jagen je met speels gemak hun boeken door. En dat zijn geen eenduidige verhalen, maar veeleer spiegelpaleizen van in elkaar grijpende verhaallijnen, vol schijnbare contradicties. De auteurs hebben alles in de hand, als koetsiers die met een lichte hand een span paarden mennen, opengesperde neusgaten en vonkende hoeven en al. Ze zijn vormvast, maar daarbinnen juist vrij.

Vrouwen onderling

Alle vier beschikten ze over schrijverslef: Howard vond het estafette-perspectief uit (Cazalet Chronicles), of vertelde een heel verhaal achterstevoren (The Long View). Gardam blinkt uit in tijdsprongen. Fitzgerald verrast met haar karakteriseringen. Taylor koos een meer dan onsympathieke hoofdpersoon (Angel, 1957, verscheen in 2016 bij Karmijn). Allemaal schrijven ze geweldige dialogen. Een verward persoon op leeftijd klinkt daarin even geloofwaardig als een hanige vent of een nukkig kind. En dan zijn er nog de nergens saaie natuurbeschrijvingen.

Het dedain van critici voor hun onderwerpkeuze en hun stijl, het door tijdgenoten gemaakte verwijt dat ze ‘damesbladenproza’ zouden schrijven, was kortom grote onzin. Saul Bellow zat in 1971 in de Booker Prize-jury. Over Mrs. Palfrey at the Claremont, van Elizabeth Taylor, zei hij: ‘I seem to hear the tinkle of teacups.’ Andere juryleden letten beter op: het boek won. Paul Theroux, ook lid van de jury, maar dan in 1979, keilde tijdens een reis door Patagonië boeken die hem geen discussie waard leken ongelezen uit het treinraam de pampa op. Zo ook Offshore van Fitzgerald, later dat jaar toch de winnaar.

Nu breken de vier schrijfsters dus alsnog door. De late bloei van hun werk laat zich, behalve door een vermindering van het omringend seksisme, denkelijk verklaren vanuit simpelweg de kwaliteit, de rijkdom van het gebodene. Hun meesterschap is tegenwoordig een zeldzaamheid. Onder hedendaagse auteurs lijkt een mode te heersen van afgemeten proza, rechtlijnig als een filmscript. Er is één ik-figuur, een outcast, met één duidelijk probleem. De handeling wordt helemaal uitgeschreven, zonder iets aan de lezer te laten. Het is in alle facetten eenduidig.

Panoramisch proza

De oeuvres van de Oude Meesters Gardam, Fitzgerald, Howard en Taylor vallen juist op door de meerduidigheid, de vermenging van genres en stijlen. Binnen één roman bespelen zij verschillende registers. Vrouwen die onderling gewichtig praten, klinken anders dan mannen die dat doen, of dan kinderen die opscheppen. Alles krijgt evenveel aandacht.

‘Naar mijn idee zijn er in het leven geen bijfiguren’, zei Gardam in Trouw. Net als bij insecten heeft iedereen zijn eigen plek en functie in het bestaan. Als een film, boek of muziekstuk goed is gecomponeerd, zijn de kleine rollen even belangrijk als de grote.’ Geen van de vier auteurs schept types, de personages, vrouw, man of kind, zijn individuen. Hun gereedschapskist zit zo vol als hij kan zijn, en daarmee scheppen ze panoramisch proza.

Gardam, Fitzgerald, Taylor en Howard waren niet allemaal hoogopgeleid. Ze leerden hun vak door te leven en te oefenen met schrijven, maar zeker ook door te lezen. Hun werk echoot wat er eerder was, en speelt ermee. Een schrijver, elke schrijver, verhoudt zich tot wat al geschreven is, en moet daarom vooral eerst een lezer zijn.

Ze schiepen werelden, geen wereldjes. Natuurlijk komen er ook bij hen figuren voor die zich een outcast voelen, maar hun werk gaat juist over functioneren in groepsverband. Het streven naar verbinding. De angst buiten de boot te vallen is evengoed een thema als het tegenovergestelde: je eigen weg willen volgen. De mens is onderdeel van een kudde, maar wil er tegelijkertijd van weg. Of soms. Of ook. En dat geldt nog onverminderd.

De boeken van Jane Gardam verschijnen bij Cossee; die van Elizabeth Jane Howard bij Atlas Contact. Werk van Penelope Fitzgerald en Elizabeth Taylor bij Karmijn.
    • Judith Eiselin