Recensie

Aan een rottend familiegeheim ontkom je niet

Recensie Met deze debuutroman won Rinske Hillen de ANV Debutantenprijs. Verstoorde familieverhoudingen leiden tot een ietwat voorspelbare climax.

Amsterdamse grachtenpanden lijken rechtop te staan, ‘maar zou je door de deftige omhulsels hun skeletten bekijken, dan hangen ze gezamenlijk, gevel tegen gevel, in een elkaar omlaagtrekkende omhelzing’. En dus zijn ze prooi van de zwaartekracht, overgeleverd aan natuurwetten, mijmert Bram Wenksterman. Net als de mens, want ‘vroeg of laat zakken we, eerst onze huid langs de kaken, dan onze botten, zo de grond in’.

In dat soort beelden is Rinske Hillen (1975) op haar best, in de debuutroman Houtrot, waarvoor ze begin deze maand de ANV Debutantenprijs 2017 ontving en dus indrukwekkende concurrenten als Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken van Arjen van Veelen en Wormen en engelen van Maarten van der Graaff het nakijken gaf. Onheilszwangere beelden schrijft ze, die zwaar symbolisch zijn voor het verhaalverloop, maar ook een zekere levendigheid en sprankeling hebben (die hangende huisskeletten, dat mooi gezegde ‘langs de kaken’). Hillen heeft meteen een eigen toon en vorm – haar roman is springerig en toch strak verteld, in drie elkaar afwisselende perspectieven.

Rinske Hillen. Foto: Amaury Miller

Een groeiende voorspelbaarheid

Ze vertelt het verhaal van het huis, maar vooral van de familie die dat bezit: vader Wenksterman, die er woont met zijn minnares; zijn dochter is uit huis, zijn vrouw is gedwongen opgenomen. In Houtrot komen ze weer samen en leiden de verstoorde verhoudingen tot een climax – de fundamenten rotten niet zomaar in het eerste hoofdstuk. Onontkoombaarheid is dan ook een thema, subtiel en minder subtiel opduikend in de bespiegelende terzijdes die we meekrijgen van de drie personages, zoals van bioloog Wenksterman, die in gedachten hamert op de keuzes uit zijn verleden: ‘Er waren geen keuzes. Er waren geen plannen. Het vermogen tot kiezen wordt chronisch overschat. Er zijn slechts natuurwetten.’

Tegen die natuurwetten wordt te hoop gelopen, maar als er ook nog een verzwegen familiegeheim opduikt, een ‘rottend geheim’ nota bene, weet je als lezer wel dat er geen ontkomen aan is. Met dat thema zou je ook kunnen verdedigen hoe de personages worden getekend: vader, dochter en minnares handelen érg naar hun rol. Omdat ze niet ontkomen aan zichzelf en hun positie (in het gezin, als man, als vrouw), ja – maar Houtrot lijdt daardoor wel aan een groeiende voorspelbaarheid. Dat komt ook door de plot. Het toewerken naar de dramatische climax neemt de overhand, wat de springerige stijl insnoert en inwisselt voor expliciete wijsheden: ‘Bouwen doe je op rechte palen’, ‘Mensen wankelen als ze hun wortels niet kennen’.

Naar dat soort natuurwetten én allerlei veronderstelde wetten van hoe een roman in elkaar hoort te zitten, voegt Hillen zich in Houtrot. Hopelijk gaat ze in een volgende roman de strijd ertegen weer aan.

    • Thomas de Veen