Wij zijn onze drone kwijt

en wandelen door Zuid-Korea. Afl. 6 (slot): selfies bij zwaailicht.
Brillenwinkel Gentle Monsters in Seoul. Foto Anita Janssen

We liepen langs een heg. Van achter die heg klonken ijzingwekkende menselijke kreten. Dat verontrustte ons. De heg was zo hoog dat we er niet overheen konden kijken. De heg was ook heel erg lang. Er kwam zelfs geen einde aan die heg en die panische kreten bleven maar opstijgen vanachter het gebladerte. Het was duidelijk, hier was een grote groep mensen in nood. We aarzelden geen moment toen we een gat in de heg zagen en wrongen ons er doorheen. Het werd ons vrij snel duidelijk, we zaten in een doolhof met een buslading mensen met een verstandelijke beperking. Natuurlijk konden we de weg niet meer terug vinden. We hebben er de hele middag over gedaan. En het begon nog te stortregenen ook.

Nadat we driekwart van het eiland Jeju hebben rondgelopen, vinden we het welletjes en vliegen terug naar Busan. Heb ik al verteld dat het Koreaanse eten zo ontzettend lekker is? Heel verfijnd, misschien iets te verfijnd zelfs voor ons. Als je honger hebt en je zit met stokjes uit dertig verschillende bakjes te eten, ze hebben hier drieduizend verschillende voorgerechten (meestal met groente) die allemaal weer anders smaken, dan wordt het al snel een enorme kliederboel. Koreanen gebruiken hun chopsticks alsof het een pincet is, volgens mij epileren ze ook hun wenkbrauwen ermee.

Elke hap wordt zorgvuldig bijeengepakt uit minstens vijf verschillende bakjes. Ze koken feitelijk in hun mond.

Wij kwamen er pas na twee weken achter dat haast niemand praat tijdens het eten, omdat we zelf zo hard aan het praten waren.

Op een eeuwenoud tempelcomplex in de provincie Suncheon zijn we onze drone kwijtgeraakt.

Zes politieagenten hebben ons geholpen om de bosjes uit te kammen, maar onze dappere drone, ons trouwe opgevouwen lieveheersbeest bleef onvindbaar. Dat maakte ons heel verdrietig, het voelde een beetje alsof we een huisdier verloren waren.

Als troost kregen we een lunch aangeboden op het politiebureau. Daarna hebben we met zijn allen nog een uitstapje gemaakt naar een stuwdam. Met zwaailicht om selfies te maken.

Lieve mensen wat vliegt de tijd als je plezier hebt, voor we het weten zijn we terug in Seoul. Als je het uitspreekt zoals wij het doen (sei-joel) weet niemand waarover je het hebt, Saul moet je zeggen. Wat een leuke stad is dat trouwens. Ik vond de hippe wijk Gangnam helemaal te gek. Superleuke winkels en ultramodern. We zijn in brillenwinkel Gentle Monsters geweest. Waar Lady Gaga altijd haar brillen koopt. (Zie foto.)

Na al die hotels ga je toch wel naar je eigen huis verlangen. We sliepen vaak vijftien hoog achter op een futon. Lekker keihard. Gelukkig ontbreekt nergens een lifeline, waaraan je op een of andere manier uit het raam moet springen als er brand is. Dat heeft me vaak slapeloze nachten bezorgd.

Een tijdje terug werd ik wakker in een stoffig hotel zonder wc, althans ik moest drie trappen af. „Annie”, klaagde ik in het donker, „wat een rothotel is dit, we gaan morgen ergens anders naartoe”. „We zijn thuis”, herinnerde Annie mij.

    • Tosca Niterink
    • Anita Janssen