Recensie

Het succes van Nederlands keramiek verklaard

Culturele Hoofdstad

Voor Made in Holland kon Keramiekmuseum Princessehof onderzoek laten doen naar 400 jaar export van Nederlands keramiek. De succesformule: kopiëren en er een eigen draai aan geven.

Minuten Servies, Jurgen Bey, ontwerp 2003, productie Koninklijke Tichelaar Makkum, aardewerk. Courtesy Thomas Eyck. Foto Erik en Petra Hesmerg

Viereneenhalve zaal groot noemen ze de opstelling zelf, en ze zijn allemaal interessant, maar dat halve zaaltje misschien nog het meest. Je ziet er woonhuizen van de 18de eeuwse elite in het Poolse Gdansk afgebeeld, de wanden van de bel-etages volledig bedekt met blauw-witte Nederlandse tegels. Langs die wanden: meubilair uit Nederland. Bovenop de kasten: vazen, kaststellen en dekselpotten van Delfts aardewerk.

Made in Holland, 400 jaar wereldmerk in Keramiekmuseum Princessehof is onderdeel van Leeuwarden-Fryslân Culturele Hoofdstad van Europa. De tentoonstelling stond al genoemd in het bidbook waarmee Leeuwarden indertijd de strijd om die titel aanging. Maar pas toen deze daadwerkelijk was binnengehaald, kwam er de luxe van een paar jaar voorbereidingstijd en meer subsidie dan gehoopt.

Het resultaat: voor Made in Holland kon Keramiekmuseum Princessehof onderzoek laten doen naar de export van Nederlands keramiek in de afgelopen 400 jaar. Waar kwam het terecht? En bij wie? En hoe werd het daar gebruikt? De antwoorden zie je overal in de bijzonder onderhoudende tentoonstelling terug, maar zijn vooral opmerkelijk in het kleine, aan Gdansk gewijde zaaltje, met daarin niet minder dan 27 bruiklenen uit hun Nationaal Museum.

Maastrichts aardewerk met drukdecors, 1860-1900, Petrus Regout & Co / De Sphinx en Société Céramique, Maastricht, hard aardewerk. Collectie Centre Céramique, Maastricht en Keramiekmuseum Princessehof.
Foto Erik en Petra Hesmerg
Maastrichts aardewerk met drukdecors, 1860-1900, Petrus Regout & Co / De Sphinx en Société Céramique, Maastricht, hard aardewerk. Collectie Centre Céramique, Maastricht en Keramiekmuseum Princessehof.
Foto Erik en Petra Hesmerg

Zo’n 150 betegelingen

Gdansk, en trouwens het hele Poolse achterland, was een belangrijke afzetmarkt voor de Nederlandse industrie van tegels en aardewerk. Wie het zich kon permitteren, toonde met zijn aankopen status en rijkdom. Er zijn zo’n 150 Nederlandse betegelingen in Polen bekend, een stuk of dertig bevinden zich nog op hun oorspronkelijke plaats.

Maar ook de gewone man kocht Delfts aardewerk. In een vitrine met opgegraven scherven, en soms nog hele borden en kommen, ligt een schaal met de tekst ‘Eert Godt’: mensen begrepen Nederlands, langs de kustlijn van de Oostzee werd Nederduits gesproken. De export naar Gdansk, waaronder ook bierpullen, soepterrines en theekoppen, duurde zo’n honderd jaar, van 1650 tot na 1750.

De belangrijkste conclusie van het onderzoek door het museum: de oorsprong van typisch Nederlandse producten als Delfts blauw, Maastrichts boerenbont, Haags eierschaalporselein en Gouds plateel lag niet in Nederland. Maar de eigen draai die producenten gaven aan het aardewerk dat ze imiteerden, en vooral ook de manier waarop ze het aan de man wisten te brengen, maakten het zo gewild dat het op zijn beurt weer werd geïmiteerd.

Porseleinaarde uit Engeland

Een voorbeeld. Het bekende boerenbont van de Maastrichtse ‘pottenkeuning’ Petrus Regout (1801-1878) had hij afgekeken van Engeland. Sterker, hij bestelde er in zijn beginjaren porseleinaarde, platen met drukdecors en kleurpigmenten, in 1845 stelde hij een Engelsman aan als directeur van de fabriek. Zijn serviesgoed vond vervolgens wereldwijd aftrek: vanwege de betaalbaarheid, maar ook omdat Regout de producten aanpaste aan buitenlandse markten.

Op de tentoonstelling zie je boerenbont-borden met in het midden een maansikkel en een vijfpuntige ster: voor het Midden-Oosten. Voor Japan: sakeflesjes met bijbehorende cupjes en rijstkommen met deksel, alles precies in de daar gebruikelijke maten. Zo geliefd werd het Maastrichtse aardewerk in Zuidoost-Azië, dat de Japanse keramiekindustrie het ging namaken toen vanwege de Eerste Wereldoorlog de handel was stilgelegd.

Pyramids of Makkum, Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel), 2008, keramiek. Collectie Fries Museum/Keramiekmuseum Princessehof.
Foto Erik en Petra Hesmerg
Pyramids of Makkum, Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel), 2008, keramiek. Collectie Fries Museum/Keramiekmuseum Princessehof.
Foto Erik en Petra Hesmerg

De laatste zaal is gewijd aan Dutch Design, de meest recente stroming in Nederlands keramiek. Onder meer te zien daar: de gestapelde tulpenpiramide van de Chinese Jing He uit 2016, Tulp Piramid – Copy and Identity is de titel, bovenop staat een iPhone met het scherm afgesteld op het Chinese WeChat. En inderdaad, die doet dan weer denken aan een 17de eeuwse Delftse bloemenpiramide.

    • Gretha Pama