Opinie

Alweer een schrijnend kerkverhaal. Open de archieven

En onderzoek wat de dwangarbeid met ‘de meisjes van de Goede Herder’ in hun latere leven heeft aangericht, betoogt .

Voorwerp in het Museum van de Twintigste Eeuw (Hoorn), genoemd in interviews met ‘de meisjes van de Goede Herder’. Foto Merlijn Doomernik

Schrijnend, die verhalen van ‘de meisjes van de Goede Herder’. NRC openbaarde ze zaterdag: getuigenissen van vijftien vrouwen die in hun jeugd waren toevertrouwd aan een instelling van de Zusters van de Goede Herder en die daar, onder barre omstandigheden, dwangarbeid verrichtten. De getuigenissen deden mij denken aan Whispering Hope, een boek uit 2015 waarin vijf vrouwen aan journalist Steven O’Riordan uitgebreid vertellen over hun verblijf in een van de opvoedingsgestichten van zusters in Ierland, maar vooral ook wat dat met de rest van hun leven deed. Het boek werd mogelijk na onderzoek van een overheidscommissie, waarvan de resultaten in 2013 door de Ierse premier Enda Kenny onder tranen werden gepresenteerd.

Het idee voor het boek was tien jaar eerder geboren, toen de journalist de beroemde film The Magdalene Sisters van Peter Mullan zag. Die vertelt het verhaal van vier meisjes in een van de kostscholen van de zogenaamde ‘Magdalena zusters’ (in werkelijkheid ging het in Ierland om internaten van vier zustercongregaties, waaronder ook die van de Zusters van de Goede Herder, dezelfde dus als in Nederland). Maar de film beperkt zich tot wat de meisjes in het internaat beleefden, niet over wat dit met hun verdere leven deed. Bovendien waren de vier meisjes in de film fictieve figuren, samengesteld uit levensverhalen van vele andere vrouwen. In de aftiteling de cryptische mededeling: this is a fictional film that unfortunately happens to be true.

Lees het onderzoeksverhaal van Joep Dohmen: De meisjes van de Goede Herder

Het gevolg van The Magdalene Sisters en van producties als de BBC-dramaserie Sinners (ook uit 2002) was dat de archieven van rooms-katholieke instellingen in Ierland en het VK voor enige tijd op slot gingen. Historisch onderzoek naar de werkelijkheid in meisjesinternaten werd onmogelijk. In de tien jaar daarop concentreerden historici in het Engelse taalgebied zich dan ook op protestantse jeugdinrichtingen en op tuchtscholen van de overheid. De Rooms-Katholieke Kerk houdt van oudsher niet van pottenkijkers. Zij lost haar problemen liefst volgens eigen spelregels op. Dat is niet vreemd. Bij motorclubs, voetbalverenigingen en goededoelenorganisaties is het niet anders. En strikt genomen kan niemand rooms-katholieke instellingen dwingen toegang te verlenen tot hun archieven. Dat zijn immers particuliere archieven. Zij vallen, anders dan overheidsarchieven, niet onder de wettelijke regels van openbaarheid en toegankelijkheid.

De samenleving had wel een narratief over de gestichten, maar beschikte niet over de feiten. Er was ‘story’, maar geen ‘history’

Maar de terughoudendheid van de Kerk keerde zich in Ierland als een boemerang tegen haar: het beeld van de situatie in de kloosterinternaten werd voortaan bepaald door beelden in de media. Het beeld van de film werd voor historische werkelijkheid gehouden: fictie werd feit. De samenleving had wel een narratief over de gestichten, maar beschikte niet over de feiten. Er was ‘story’, maar geen ‘history’, zoals anglist James M. Smith het formuleert. Pas het grootscheepse onderzoek van een overheidscommissie bracht daar in 2013 verandering in: de archieven gingen open, de feiten kwamen (deels) beschikbaar. Het beeld van de toestanden in de internaten werd er niet fraaier door, maar het kreeg wel een breder perspectief en een steviger fundament.

Ook in Nederland heeft de samenleving recht op een volledig beeld van dwangarbeid in katholieke en andere opvoedingsgestichten. In verschillende landen is de Rooms-Katholieke Kerk door schade en schande wijs geworden en heeft zij geleerd publieke verantwoording af te leggen over wantoestanden in het verleden. Maar wat gebeurt er in Nederland? De aartsbisschop en de voorzitter van de kloosterlingen gaan op bezoek bij minister Sander Dekker en komen samen tot het inzicht dat nieuw onderzoek onnodig is. Waar zijn zij bang voor? En waar is het belang van de slachtoffers?

Ik zou zeggen: gooi de archieven open en ga de diepte in, zodat er een zo volledig en evenwichtig mogelijk beeld kan ontstaan. Besteed ook aandacht aan wat de dwangarbeid met de vrouwen in hun verdere leven heeft gedaan. Wie moet daartoe het initiatief nemen? Sommige meisjes werden in de gestichten geplaatst door familie, andere door de pastoor en een deel door Voogdijraden (in 1956 opgegaan in Raden voor de Kinderbescherming). Die vielen onder verantwoordelijkheid van Justitie, dat tot 1978 de gedwongen arbeid tolereerde. Daarom is het nu aan Dekker om opdracht te geven tot diepgravend onderzoek. De samenleving heeft daar recht op. En iedereen heeft er baat bij, zeker de slachtoffers, maar uiteindelijk ook de Kerk.