Opinie

    • Paul Scheffer

Hoe een Arabisch icoon in het Hebreeuws herleeft

Aan de vooravond van de Tweede Intifada was ik op bezoek in Ramallah. Daar sprak ik met een Palestijnse schrijver die me indringend voorhield hoezeer het over en weer aan inlevingsvermogen ontbrak: „Het wordt niets als Palestijnen weigeren om de holocaust te begrijpen waaruit Israël is voortgekomen. Maar ook de Joden moeten leren inzien wat ze ons hebben aangedaan: de verdrijving uit ons land zullen we nooit vergeten.”

Die ontmoeting in 1999 schoot me door het hoofd toen ik onlangs in De Balie zat te kijken naar een Arabisch-Hebreeuws theatergezelschap uit Jaffa dat het verhaal van Oum Kalthoum op de planken bracht. Met dat stuk trekken ze door Israël. Al was de voorstelling soms wat houterig, de verbeelding van het leven van deze Egyptische zangeres ontroerde.

Het begon met de schok dat dit icoon van de Arabische wereld in het Hebreeuws tot leven werd gewekt. Oum Kalthoum was voor alles een geweldig muzikaal talent, dat ooit door een Franse krant werd opgevoerd als de optelsom van Maria Callas, Edith Piaf en Mahalia Jackson. Daarmee werd, volgens deze krant, ternauwernood recht gedaan aan haar betekenis.

Oum Kalthoum belichaamt samen met president Nasser de gedroomde eenwording van de Arabische wereld. Bij haar dood in 1975 vulden honderdduizenden mensen de straten van Caïro. Leiders van verschillende Arabische landen schoven vol verering aan bij haar begrafenis. Niet alles is wat het lijkt in deze door mannen gedomineerde samenleving.

De relatie tussen de zangeres en de president was bijzonder. Oum Kalthoum die doorgaans over de liefde zong, bewierookte hem in een patriottisch lied als ‘bevrijder van de Nijl’. Nasser greep in toen ze na zijn revolutie in 1952 van de radio werd geweerd. Volgens de overijverige directeur van de staatszender had Oum Kalthoum zich gediskwalificeerd door haar optredens voor het koningshuis, dat zojuist aan de kant was gezet. Nasser zag weinig in die redenering: „Kwam de zon niet ook op in de tijd van de koning?” Tegen de oerkracht van Oum Kalthoum bleek niemand bestand.

De voorstelling liet zien hoe ze zich als meisje van het platteland in de grote stad omhoog moest vechten. Het levensverhaal werd afgewisseld met haar liederen, die uitbundig werden gezongen door de Israëlische actrice Galit Giat. De rol van haar tekstschrijver en aanbidder, de dichter Ahmad Rami, werd gespeeld door een Palestijnse acteur, Arik Mishali. We begrepen de vervoering en het verlangen die Oum Kalthoum moet hebben opgeroepen.

Tijdens de voorstelling moest ik terugdenken aan een ontmoeting met Edward Said. Ik heb ooit met Michaël Zeeman een reeks lange gesprekken gemaakt voor de VPRO-televisie. Een van de uitzendingen was gewijd aan deze Palestijns-Amerikaanse schrijver die in zijn klassieker Orientalism (1978) Europese clichés over het nabije Oosten heeft onderzocht.

Bij de voorbereiding van het gesprek vertelde ik Said dat de muziek van Oum Kalthoum me fascineert. Hij keek me peinzend aan: „Ik hou er helemaal niet van: de Arabische muziek heeft geen vorm, hoort bij samenlevingen waar de gelatenheid overheerst. Ik hou van Bach, van de kunst van het contrapunt.” Het nam me onmiddellijk voor hem in.

Ik weet niet hoe Said naar deze voorstelling over Oum Kalthoum zou hebben gekeken, maar ik denk toch dat ook hij geraakt zou zijn door het moment waarop de Zesdaagse Oorlog ter sprake komt. De Arabische nederlaag in 1967 – de legers van Egypte, Jordanië en Syrië werden in mum van tijd verpletterd door Israël – leidt tot een depressie bij de zangeres. Vervolgens wordt Oum Kalthoum door Nasser overgehaald om weer op te treden en maakt ze een tournee om het moreel van de bevolking op te vijzelen.

De Arabische vernedering vertolkt door een Joodse actrice: in het Hebreeuws kreeg deze nederlaag een heel andere lading. Dat past natuurlijk niet in de koestering van eigen leed die her en der tot norm wordt verheven. De Arabisch-Hebreeuwse theatergroep toonde dat kunst juist uitnodigt om ook het leed van de ander te zien.

Dat inlevingsvermogen is erg nodig, zeker in het wespennest van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Zo’n tien jaar geleden heb ik colleges gegeven aan de Hebrew University in Jeruzalem. De studenten hadden allemaal drie tot vier jaar dienst in het leger achter de rug. Ze waren veel te vroeg volwassen en getekend voor het leven: „Wij zullen nooit vrede meemaken.” Ik had ze allemaal willen meenemen naar deze voorstelling over Oum Kalthoum.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.
    • Paul Scheffer