‘Heb je de Italiaanse porties gezien? Die zijn piepklein!’

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over Angela die haar gedroomde Italië liever niet in het echt bezoekt.

Eens moest het ervan komen, het bezoek van mijn kapster Angela aan haar land van herkomst. Uit Italië komen haar donkere ogen en olijfkleurige huid. En de dagelijkse pasta vroeger bij haar thuis, de uitroepen van hun moeder – Bellisima, Mama mia – en de gouden gondel op de vensterbank, met piepkleine gekleurde lampjes versierd.

Italië bleef al die tijd een zonnig mysterie, een gedroomd land in drie kleuren. Zangerig als het accent van haar gebrekkig Engels sprekende moeder. Maar ooit, op een dag zouden zij en haar zusje erheen gaan.

Het kwam er alleen nooit van. Het leven zat in de weg. En er was tenslotte altijd een later. De reisbestemming verbleekte langzaam, net als de poster van de Vesuvius in de kapsalon.

Angela tref ik dit keer in tranen. Haar zusje Maria over wie ze me altijd vertelde, het zieke zusje voor wie ze de laatste jaren dag in dag uit zorgde, is overleden. Ze had haar doen beloven alsnog naar Napels te gaan. Sterker nog, ze had voor haar vlak voor haar dood een reis geboekt.

En nu moet ze wel. Ze zit er behoorlijk mee in haar maag. Letterlijk. Want om te beginnen is ze veel te zwaar.

Ze is aan haar knieën geopereerd en werkt zittend. Eigenlijk moet ze oefenen met lopen, maar dat stelt ze alsmaar uit. Tot na de herfst met zijn natte bladeren waarover je kunt uitglijden. Tot na de winter als de sneeuw weg is. Als de hete zomer eenmaal voorbij is.

Maar ze weet, een auto in Napels is geen doen. Ze zal moeten lopen. Er is geen ontkomen aan.

„Nu heb je geen uitvlucht meer”, zeg ik.

Ze zucht. „Ik heb de reisgidsen bekeken en de foto’s gezien. Het leven is zo anders daar dan hier. Vooral het eten. De porties zijn piepklein. Heb je die pasta gezien? En die ijsjes! Die kun je nauwelijks vasthouden.”

Ze houdt van Italiaans eten, maar dan in de Amerikaanse incarnatie. Liefst zoals ze dat bij Olive Garden serveren, haar favoriete keten. Pasta alfredo, waarin de spaghetti zwemt in room en is overgoten met kaas, met genoeg calorieën voor de hele dag. Waar de tiramisu zo groot is als een stuk kaas en de koffielikeur stijf staat van de suiker.

Ze laat een foto zien waarop haar moeder als kind staat. Een meisje met donkere ogen in een gebreide jurk. Blote voeten op het stoffige plaveisel van een smalle steeg. Er zit een vlek op waar ze met haar duim overheen wrijft. Als om hem weg te poetsen.

„Ik moet daar nog familie hebben”, zegt ze, „maar die banden zijn allemaal verbroken. En ik kan het mijn moeder niet meer vragen. Het was leuk geweest als ik bij hen kon logeren. Nu moet ik in een hotel.”

Ze vindt het allemaal doodeng.

„Je gaat toch wel hè?”, vraag ik als ik afreken.

„Ik weet het nog zo net niet”, zegt ze. Ze staart naar de poster. „Het Italië van mijn dromen is zo mooi.”

Reacties naar Pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong