Bij een foutje aan de fiets kijkt iedereen naar hen

Mecaniciens in de Tour

Voor de mecaniciens van Lotto-Jumbo is de rustdag geen rustdag. Ze werken het klokje rond om 24 fietsen klaar te maken voor de volgende etappe. „Het is makkelijk om ons de schuld te geven.”

‘Hoteldienst’ voor mecanicien Dirk Janssen op de rustdag in de Tour: alle fietsen en ploegleiderwagens wassen. Foto Dion Kerckhoffs/Cor Vos

Tegen tweeën op maandagmiddag, rustdag in de Tour, is mecanicien Dirk van de Ven (23) er ineens klaar mee. Via de woordvoerder van Lotto-Jumbo laat hij weten dat hij er niet van gediend is dat er een nieuwsgierige journalist over zijn schouders meekijkt terwijl hij een set hagelnieuwe tandwielen op een fiets monteert. Het leidt hem af.

Als hij even later voor het eerst in uren even in een campingstoeltje zit met een baguette gezond, legt hij uit: „We moeten vandaag bij 24 fietsen alles verwisselen: stuurlint, tandwielen, ketting. Als er straks ergens een bout loszit, komen de renners bij ons verhaal halen. Ik kan me niet concentreren als er steeds iemand doorheen kletst.”

De reactie van de jongste van drie ‘fietsenmakers’ illustreert onder welke druk ze hun werk moeten doen tijdens de Tour. Helemaal op deze rustdag: alle fietsen die een dag eerder gebruikt zijn in de chaotische kasseienrit naar Roubaix moeten worden omgebouwd naar een exemplaar dat geschikt is om op dinsdag Alpencols mee te bedwingen. Dat is uren werk: het materiaal is op de kasseien dermate door elkaar geschud dat alles extra moeten worden nagelopen en waar nodig moet worden gerepareerd.

„Als er straks ergens een bout loszit, komen de renners bij ons verhaal halen”

Mecanicien Dirk van de Ven

„Wordt het geen 22.00 uur, dan wel 23.00 uur”, zegt Tony Arts (62), de nestor van het team, leermeester van zijn twee collega’s. Hij haalde in 1978 zijn fietsenmakersdiploma en begon in 1996 bij de Rabobankploeg. Dirk van de Ven en Dirk Janssen volgden hun opleiding tot fietstechnicus aan het Koning Willem I College in Den Bosch en kwamen via via in de wielrennerij terecht.

Dylan Groenewegen

Het is even na negen uur als de drie mannen aan de Avenue de France in Annecy hun materiaalwagen openen. Zon, 24 graden, wat dat betreft is het geen verkeerde dag om mecanicien te zijn. Aan weerszijden van de mobiele werkplaats hangt een trits wielen en reserveframes. De vloer ligt vol met onderdelen en gereedschap.

Janssen begint met de fiets van Dylan Groenewegen, die niet ongeschonden uit Roubaix is gekomen. De tweevoudig etappewinnaar in deze Tour ging zondag spijkerhard onderuit nadat een gedeelte van zijn stuur afbrak – hoe dat kan wordt onderzocht. Door de crash is het zadel geschaafd en uit het lood geslagen. Vervangen kost een half uur. Er moet een speciaal meetinstrument aan te pas komen om vast te stellen dat alle ‘instellingen’ van Groenewegen gewaarborgd blijven. De bonkige Amsterdammer zou het direct voelen als zijn zadel een paar graden naar voren is gekanteld, of drie millimeter lager staat. Als het euvel is opgelost begint Janssen aan zijn ‘hoteldienst’: aan hem deze week de taak alle fietsen en ploegleiderswagens te wassen. „Hoort erbij”, zegt hij terwijl hij met een hogedrukspuit een frame ontdoet van kasseienstof. „Dat ik mecanicien ben in de Tour is een jongensdroom.”

Zijn collega’s zitten vanaf dinsdag in ‘auto één’ of ‘auto twee’ en staan tijdens de etappe paraat om technisch malheur te verhelpen. Dankzij die taakverdeling weten de mannen zonder te overleggen wat hen te doen staat. Terwijl Tony Arts begint aan een frame van Primoz Roglic verhaalt hij over vervlogen tijden.

Het vak van mechanieker is er in de loop der jaren niet makkelijker op geworden: „Vroeger was alles mechanisch. Als we nu een derailleur vervangen, moeten we de laptop erbij pakken om verbinding te maken met Bluetooth. Anders kunnen we ‘m niet afstellen.”

Perfectionistisch

Verderop zitten de vingers van Janssen onder de ‘montagepasta’, die hij gebruikt om zadelpennen aan het frame te laten hechten. Hij vertelt over de eigenschappen die een mecanicien moet hebben: „Je moet perfectionistisch zijn want alles moet kloppen. Verder moet je goed in de groep liggen, en altijd rustig kunnen blijven.”

Om half elf komen vier renners van Lotto-Jumbo in een slakkengang hun hotel uit voor een trainingsrondje van twee uur. Antwan Tolhoek komt er bij zijn fiets achter dat hij vergeten is de batterij van zijn computertje op te laden. Robert Gesink geeft alvast door op welke wielen hij dinsdag wil rijden, als er voor het eerst deze Tour moet worden geklommen, op weg naar Le Grand-Bornand. „Zestig [millimeter] voor, en veertig achter”, roept hij. In de materiaalwagen schrijft Tony Arts dat op een whiteboard.

Foto Dion Kerckhoffs/Cor Vos
Foto Dion Kerckhoffs/Cor Vos

Ook de ploegleiding van Lotto-Jumbo gebruikt deze rustdag om in beweging te blijven: na de renners komen zij gehuld in het wedstrijdtricot naar buiten en maken ze zich klaar voor een tochtje rond het Meer van Annecy. Frans Maassen, ploegleider: „Tony is de beste mechanieker van Nederland. Een vakman, altijd op zoek naar een klus. Bovendien een coach voor de jonge mannen.”

Schouderklopje

Bij de materiaalwagen gaat het werk onverminderd verder. Janssen wast frames, terwijl Van de Ven en Arts koortsachtig aan reservefietsen blijven prutsen. Als de renners op hun wedstrijdfiets terugkeren, neemt de druk toe.

Steven Kruijswijk is er als eerste. Puffend stapt hij van zijn fiets, loopt dan door naar Arts. „Morgen wil ik…”, begint hij, maar Arts onderbreekt hem: „Zesendertig”, zegt hij, doelend op het aantal tanden op het binnenblad. „Nou, ja”, reageert Kruijswijk verbaasd.

De Duitser Paul Martens keert geagiteerd terug van zijn trainingsrit. Tegen Janssen: „Ik heb gisteren zonder powermeter gereden. Dat moet je de volgende keer even zeggen.” De mecanicien knikt slechts. Later komt Martens op dat moment terug: „Het was niet negatief bedoeld. We fietsen soms honderd kilometer per uur en moeten volledig op hen vertrouwen. Mecaniciens zijn de mannen die een schouderklopje verdienen.”

Dat vindt ook Robert Gesink: „Ik bedank ze elke dag, af en toe met een biertje. Bij Rabo deelden ze ook mee in een soort prijzenpot aan het einde van het jaar, maar dat doen we nu niet meer.”

Als de voltallige staf van Lotto-Jumbo gaat lunchen, werken Janssen, Van de Ven en Arts verder, en als zij gaan dineren, staan de drie nog steeds op hun teenslippers te sleutelen. Uit een speaker klinkt Highway to Hell van AC/DC. Een prullenbak zit tot de nok toe gevuld met gebruikte stuurlinten. Als Arts ontdekt dat een lint niet netjes geplakt zit, begint hij opnieuw, de lippen stijf op elkaar. „Als iets niet goed gebeurt, is het altijd het makkelijkst om ons de schuld te geven”, zegt hij daarna, gevraagd naar de druk op de schouders van een mecanicien. Die is groot, in de Tour.

    • Dennis Meinema