Slachtoffers nonnen komen met claim

Dwangarbeid

Duizenden Nederlandse vrouwen verrichtten in hun jeugd dwangarbeid bij de nonnen. Negentien van hen eisen genoegdoening.

„Die stank, die vreselijke stank.” Dag in dag uit stond ze in de wasserij. Deze foto is ter illustratie gemaakt in het Museum van de 20ste eeuw in Hoorn. Foto Merijn Doomernik

Negentien vrouwen die als meisje onbetaalde dwangarbeid moesten doen in wasserijen en naaiateliers van de Zusters van de Goede Herder willen naar de rechter. Advocaat Liesbeth Zegveld bereidt namens hen een civiele claim voor tegen de katholieke congregatie.

De zusters weigerden vorig jaar een vergoeding te betalen aan twee vrouwen die in de jaren zestig ieder drie jaar dwangarbeid deden. Hun claim zou reeds „geruime tijd verjaard” zijn.

In mei meldde NRC dat de Zusters van de Goede Herder tussen 1860 en 1973 zeker vijftienduizend vrouwen en meisjes opsloten in gestichten in Zoeterwoude, Tilburg, Almelo en het Gelderse Velp. Hun onbetaalde arbeid was een belangrijke inkomstenbron van de nonnen.

Na de publicatie in mei meldden zich bij NRC en bij de lotgenotenorganisatie Vrouwen Platform Kerkelijk Kindermisbruik (VPKK) meer dan dertig vrouwen in de leeftijd van 57 tot 87 jaar. Van hen nemen er tot nu toe negentien deel aan de claim die wordt voorbereid.

Advocaat Zegveld zegt te beseffen dat de discussie over verjaring belangrijk wordt. „De congregatie zal zich er wel op beroepen. Maar dat het lang geleden is, wil niet zeggen dat het automatisch verjaard is. Het zal neerkomen op het bewijs en de omstandigheden destijds. Dat hebben eerdere zaken die ik heb gedaan wel laten zien”, aldus Zegveld.

NRC sprak met een groot aantal slachtoffers en volgde hun strijd voor rechtvaardigheid. Lees daarover: de vrouwen die gedwongen werkten in wasserijen en naaiateliers van kloosters

Illegaal opgesloten

Uit de meldingen blijkt dat nog tot eind jaren zeventig meisjes gedwongen zijn om te werken. Daarbij werd de leerplichtwet geschonden en zijn meisjes illegaal opgesloten. In 1978 maakte het ministerie van Justitie een eind aan de praktijken.

De vrouwen noemen ook namen van opdrachtgevers van de zusters. Het zou gaan om onder meer C&A, Vroom & Dreesmann, confectiebedrijf Stork/Ten Cate in Almelo, lingeriebedrijf Lovable in Zutphen, manufacturenhandel Schröder in Den Haag en hotel Bordelaise in Arnhem. Ook zouden de meisjes gewerkt hebben voor het Koninklijk Huis.

Een woordvoerder van het Koninklijk Huis noemt de dwangarbeid „uitermate triest”, maar volgens hem bevatten de koninklijke archieven geen opdrachten aan de zusters. C&A meldt ook niets te kunnen vinden in het archief: „We verwelkomen iedere vorm van relevante informatie die licht op dit onderwerp kan laten schijnen.”

Meldingen over uitbuiting door de nonnen waren er eerder in Frankrijk, Australië, Canada, de Verenigde Staten, Duitsland en Ierland. In Ierland liet de regering onafhankelijk onderzoek doen naar misstanden in wasserijen van de zusters. De slachtoffers kregen een schadevergoeding van de Ierse regering. De nonnen weigerden te betalen.

Volwaardig onderzoek

„De vrouwen eisen ook in Nederland een volwaardig wetenschappelijk onderzoek naar de aard en de omvang van de dwangarbeid”, zegt bestuurslid Annemie Knibbe van lotgenotenorganisatie VPKK. Daar wil minister Dekker (Rechtsbescherming, VVD) niet aan, zei hij in een overleg met de Tweede Kamer op 6 juni. Hij ontraadde de Kamer een motie van SP-Kamerlid Van Nispen die opriep tot zo’n onderzoek. De Kamer bespreekt de kwestie na het zomerreces opnieuw.

    • Joep Dohmen