Koloniale termen in de krant: Tarzan en Kuifje ontmoeten de taalpolitie

Wat is er „tribaal” aan geweld in Afrika? Dat het telkens „oplaait”?

Een lezer maakte bezwaar tegen het woord in een stuk over Ethiopië (Tribaal geweld laait op, 800.000 mensen op de vlucht). Waarom dat woord?

Goeie vraag, nu het blad OneWorld vorige week een lijstje ‘neokoloniale’ woorden en uitdrukkingen taboe verklaarde en andere media opriep dat ook te doen (Met deze taal stoppen we).

Begrijpelijk, want Tarzan en Kuifje zijn nu wel uitgespeeld in de ‘Derde Wereld’. Anderzijds, journalisten laten zich niet graag vertellen welke woorden ze mogen gebruiken – ook begrijpelijk. Waar houdt zorgvuldigheid op en begint taalpolitie?

De meningen op de NRC-redactie zijn dan ook verdeeld. Sommigen zijn enthousiast, anderen krijgen er buikpijn van. Afrika-correspondent Bram Vermeulen juicht het initiatief van harte toe, hij bestrijdt graag „exotisme” en het idee dat we „allemaal nazaten zijn van Stanley en Livingstone”. Zijn collega Koert Lindijer te Nairobi is veel sceptischer; hij weigert zich „politiek correct” op zijn kop te laten zitten vanuit Nederland.

Mij lijkt het probleem met ‘tribaal’ en ‘tribalisme’ vooral dat die termen huis- tuin- en blog-jargon zijn geworden voor wie met een air van belezenheid moslims, Afrikanen of anderen wil wegzetten als primitief en een héél ander soort mensen. Niet voor niets zijn het in de Europese geschiedenis vooral de Germanen die stammen hadden, ‘barbaren’ tenslotte.

Ik besprak het lijstje met de chef Buitenland en een adjunct-hoofdredacteur – en over een aantal woorden was men het snel eens. Te vermijden: empoweren (neerbuigend én lelijk), maar ook ‘een stem/gezicht geven aan’ (idem; alternatief: ‘een podium geven’), ‘leefgebied’ als het gaat om mensen, en ‘lid’ zijn van een ‘stam’ (‘horen bij een gemeenschap of volk’).

Minder of niet overtuigend vonden zij de bezwaren tegen ‘lokaal’, ‘etnisch’, ‘inheems’ en ‘minderheden’. Etnisch is niet voorbehouden aan ‘niet-witten’. (De krant schrijft over ‘etnische Russen’ in Oekraïne). Ja, als typering van niet-westerse kunst of mode is het bizar (waarom zou een jurk uit Togo ‘etnisch’ zijn en een uit Kroatië niet?).

Over ‘minderheden’ zegt de chef Buitenland, die berichtte vanaf de Balkan: „Servische Kosovaren zijn een minderheid, dat is zeer relevant voor het begrijpen van de verhoudingen daar.” En ‘inheems’, fout wegens de flora-en-fauna-connotatie? De adjunct, opgeleid als bioloog: „Mensen kunnen inheems zijn, net als orchideeën of salamanders. Maar dan moet je consequent zijn en het niet alleen gebruiken voor mensen ver weg, ook voor Friezen of Catalanen.”

Goed. Terug naar de stam.

Vermeulen zegt, vanuit Kaapstad: „Ik mijd ‘tribaal’ en ‘stam’, wegens de koloniale bijklank die samenhangt met achterhaalde opvattingen over rassen. Dus ik heb het over Zulu-sprekende Zuid-Afrikanen of ‘bevolkingsgroepen’ als Zulu’s of Xhosa’s. Dat Afrikaanse schrijvers de term gebruiken, vind ik geen argument. Wij moeten daarin roomser zijn dan de paus, ja.”

Vanuit Nairobi houdt Lindijer intussen stug vol. „Je gaat van familie naar clan, stam, dan naar etnische groep en nationaliteit. Het verschilt ook per land. De Oromo en Amhara in Ethiopië heten daar ‘nationaliteiten’, maar de Yoruba of Igbo in Nigeria, die even talrijk zijn, worden stammen genoemd.”

Dan maar raad vragen bij redacteur Wetenschap Dirk Vlasblom, oud-correspondent in Indonesië en auteur van Papoea. Een geschiedenis (2004).

Hij zegt: „Dit zat eraan te komen. Na alle revisionistische geschiedschrijving die het kolonialisme heeft ontleed en tot de grond afgebrand – en terecht – is nu de taal aan de beurt.” Hij ziet „een beperkt lexicon koloniale woorden die niet alleen ouderwets zijn, maar ook beladen met superioriteitsgevoelens”.

Aanpassen dus. Maar, zegt hij, „het puritanisme is wel wat doorgeslagen. Ik vind ‘tot slaaf gemaakte’ foeilelijk, maar vaak ook onjuist. De meeste onvrijen op plantages in de Nieuwe Wereld werden als slaaf geboren.”

Met ‘inheems’ heeft ook Vlasblom geen moeite. Alternatieven als ‘oorspronkelijke of oudste bewoners’ scheppen vooral nieuwe problemen: „De wereldgeschiedenis is er één van migratie en verovering, en de aanspraak op de status van ‘oorspronkelijke bewoners’ is bijna altijd aanvechtbaar.”

En ‘stam’? Dat woord heeft Vlasblom naar eigen zeggen nog nooit gebruikt. „Het heeft buiten de antropologie de bijklank gekregen van ‘primitief’. Waarom dan niet gewoon ‘volk’? Dat ben ik met OneWorld eens.” Wees je er wel van bewust, zegt hij, dat de term in een groot deel van de wereld volledig is geaccepteerd, ook door groepen die ermee worden aangeduid.

Koloniale taal slaat immers ook neer in officiële teksten. Zie de VS, waar de federale overheid betrekkingen onderhoudt met zo’n 560 wettelijk erkendetribes. Vaak met eigen criteria voor ‘lidmaatschap’, tribal courts of tribal police.

Goed, maar daar valt omheen te schrijven, zegt Vlasblom, door de naam te noemen van een volk of gebied. Dus „Navajo-politie” of „Navajo-rechtbank”. In Zuid-Afrika, vult Vermeulen aan, is tribal in wetgeving vervangen door ‘traditioneel’.

Concreet zijn is voor journalisten altijd een goed advies, ook over volken of etnische groepen.

Alleen, wat mij betreft kan dat ook nopen tot het vermijden van een ander amerikanisme, het fletse en generaliserende ‘mensen van kleur’, dat ook in deze krant wel opduikt.

Ook post-koloniale termen kunnen leiden tot stammenstrijd.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong