„Zuster Clara kwam ’s avonds langs met kalmerende pilletjes”

Joke Vermeulen (1955) zat opgesloten bij de zusters in Almelo van 1969 tot 1972.

Foto Merlijn Doomernik

Ze was vorig jaar in het voormalig liefdesgesticht Larenstein in het Gelderse Velp om er bloemen te leggen voor alle slachtoffers van de Zusters van de Goede Herder. Ze vroeg tevergeefs bij de directeur van de congregatie om genoegdoening voor de dwangarbeid. En ze begon een internetforum voor lotgenoten. Nee, Joke Vermeulen (63) uit Emmen laat niet meer met zich sollen.

Ze doet het niet alleen voor zichzelf, of voor lotgenote Lies Vissers met wie ze sinds enige tijd ten strijde trekt. „Ik maak me sterk voor ál die vergeten vrouwen die als meisje opgesloten zaten om gratis voor de nonnen te werken. Ze hebben mij verknald, ze hebben Lies verknald, ze hebben duizenden kinderen verknald.”

Als kind van negen jaar werd ze door haar moeder met enige regelmaat aan ‘meneer de verzekeringsagent’ uitgeleend. De man kwam bij hen in Vlaardingen aan huis. Dan moest Joke met hem mee om hem aan zijn gerief te helpen. Toen dat bekend werd, kreeg de verzekeringsagent drie maanden celstraf. „En ik levenslang”, zegt Joke.

De kinderbescherming haalde haar thuis weg. Dat was het begin van een leven in kindertehuizen. De nonnen in Mook waren nog te doen, de zusters van Huis ter Beek in Lisse best oké en die in Berk en Beuk in Nijmegen zelfs aardig. Dat nam niet weg dat Joke telkens wegliep. Zo belandde ze, net veertien jaar, in 1969 bij de Zusters van de Goede Herder in Almelo. Die wisten raad met wegloopmeisjes.

Voor het misbruikte meisje uit Vlaardingen was er geen onderwijs meer, geen troost en geen begrip. Ze kreeg een lege plek achter een trapnaaimachine. Vijf en een halve dag per week handsoppen en handdoeken van het merk Seahorse maken. Zuster Francisca hield in de gaten of het tempo hoog genoeg lag. En of de meiden ook wel zwegen.

Joke is een van de weinige meisjes van de Goede Herder die haar dossier uit die tijd nog heeft. Opmerkelijk is dat daarin - NRC heeft het dossier ingezien - niets staat over de gedwongen arbeid. Het schetst wel een negatief beeld over Joke als „zedelijk ontwricht” meisje dat „perversiteiten” gewoon vindt en „kinderlijke trekken” heeft.

Uit het dossier blijkt dat Joke medicijnen kreeg. Die moesten haar „rustig” houden. „Zuster Clara kwam ‘s avonds langs op de slaapzaal met kalmerende pilletjes. Als ik terugdenk aan Almelo, lijkt het wel alsof ik die jaren in een waas geleefd heb.”

Joke werkte drie jaar. Toen ze zeventien was, mocht ze weg. Ze ging weer naar huis, zou gaan trouwen en had plannen om ziekenverzorgster te worden. Maar het opleidingsinstituut wilde haar niet nadat inlichtingen waren ingewonnen bij de zusters.

Op haar achttiende raakte ze zwanger van een vriendje. Later trouwde ze met een andere man en ging ze parttime werken via een uitzendbureau. Het huwelijk liep stuk en ze trouwde opnieuw. Maar ook dat liep op niets uit. Ze heeft nu drie jongens, één kleinkind en een bijstandsuitkering. Haar thuis is een seniorenflatje in Emmen. Een man komt er niet meer in.

Moederliefde, dat is een pijnlijk punt voor Joke. Ze neemt het zichzelf kwalijk dat ze haar kinderen te weinig liefde en warmte gegeven heeft. „Van iemand houden, daar heb ik het altijd moeilijk mee gehad. Ik houd van mijn kinderen, maar heel overtuigend was het niet.”

De nonnen hadden voor haar als misbruikt kind een toevluchtsoord moeten zijn. Zij dragen schuld vindt Joke. „Die onbetaalde dwangarbeid, dat had nooit mogen gebeuren. Ik wil van de zusters en van de overheid, die ons ernaar toe stuurde, horen dat het hartstikke fout was.”

    • Joep Dohmen