„Vriendschappen werden niet getolereerd”

Roos te Riet (1951) zat opgesloten bij de zusters in Velp van 1961 tot 1966.

Foto Merlijn Doomernik

Roos te Riet (67) kreeg Larenstein, het gesticht van de Zusters van de Goede Herder in Velp, nooit uit haar hoofd. Ze moest het huis uit omdat haar ouders in Nijmegen niet voor haar en haar broertjes en zusjes konden zorgen. Daarna was er een pleegvader in Druten die haar met vrienden misbruikte. Vervolgens waren er tehuizen in Ubbergen, Arnhem en Nijmegen.

Elf jaar was ze toen de kinderbescherming haar in 1961 naar Velp bracht. Het zouden zes ellendige jaren worden. Volgens de leerplichtwet moesten kinderen in die tijd tot dertien jaar naar school. Maar Roos moest werken. „’s Ochtends in rijen naar de kerk en het ontbijt en daarna de hele dag werk, werk, werk. Soms zelfs ’s avonds en op zaterdag. Ik heb jaren gewerkt op de naaizaal. Kleren voor C&A en bh’s voor een bedrijf in Zutphen. We moesten ook wassen voor mensen uit Velp. Die stuurden hun vuile onderbroeken naar het gesticht.”

Larenstein was een hel, zegt ze. Onderling contact tussen de meisjes mocht niet. Als ze achter hun naaimachines zaten of aan tafel, werden ze in de gaten gehouden. „Iets persoonlijks zeggen mocht niet. Dan werd dat afgekapt. Vriendschappen werden niet getolereerd.” Een andere scène die in haar hoofd spookt, speelt in het lijkenhuisje van het gesticht. „Samen met een zuster moest ik daar als kind van dertien doden afleggen.”

Het gesticht was een gesloten werkkamp vindt Roos. „Zelfs naar het toilet kon alleen met een zuster erbij. Zij ontsloten de deuren en sloten ze daarna meteen weer af.”

Toen ze zestien was, mocht ze gaan. Haar leven zou lange tijd turbulent blijven. Larenstein bleef rondspoken. Roos: „Ik heb heel veel last en verdriet gehad. Ik had de grootste moeite om te functioneren in de maatschappij.”

Pas in 2003 voelde ze zich sterk genoeg om op zoek te gaan naar antwoorden. Samen met een draaiende camera van het televisieprogramma Heilig Vuur van de NCRV keerde ze terug naar het inmiddels lege gesticht. Na afloop waren er twee zusters die haar wilden aanhoren. Roos was boos en vlijmscherp. Over het gebrek aan liefde, het opsluiten, het eeuwige werken zonder dat er betaald werd. Roos: „Ik heb geen kind kunnen zijn en ik was constant bang. Ik wil weten waarom de meisjes zo behandeld zijn.”

De zusters, overste Alphonsa Donders (inmiddels overleden) en raadszuster Mirjam Rombouts, leken zich niet bewust van het leed dat ze hadden aangericht. Ze boden hun excuses aan voor de dingen die Roos „zo beleefd” had. Donders: „Ik vind uw verhaal, uw beleving, heel erg. Maar er zijn ook vrouwen die achteraf zeggen: ‘Het was de mooiste tijd van mijn leven’. We deden het zodat de meisjes iets voor de toekomst konden opbouwen.” Dat de deuren op slot zaten was nodig. „We moesten die meisjes bij elkaar houden. Dat ging niet met open deuren.”

En over al dat werken zei Rombouts: „We hadden geen inkomsten, hè. We moesten ook zorgen dat er geld binnenkwam om te kunnen eten en drinken, zowel voor de meisjes als voor de zusters.” Het werk in de wasserij en op de naaizalen was „groepstherapie” en een voorbereiding op de terugkeer in de maatschappij.

Het leed drong niet echt door tot de zusters, wat Roos nóg scherper maakte: „De smerige onderbroeken van het dorp wassen? Wat doe ik daar later mee in de maatschappij? Ik had naar school moeten gaan. Ik was twaalf.”

De reacties op de uitzending waren talrijk. Roos kreeg felicitaties, lotgenoten kwamen met bloemen naar haar winkel. Andere kijkers stuurden boze e-mails. Ze was „van de duivel” en moest maar dood. De uitzending zorgde voor wat rimpels in de vijver, meer niet. Dit keer hoopt Roos op meer effect. „Ik deed het toen, en ik doe het nu, voor al die meiden die gevangen zaten en hebben moeten werken voor die nonnen. Zij hebben er recht op dat het eindelijk wordt uitgezocht en erkend.”

    • Joep Dohmen