Recht & Onrecht

Voor de politie is de cao-ruzie een druppel in een te volle emmer

Achter het CAO-conflict met de politie sluimert onvrede die dieper steekt dan het salaris. Piet van Reenen ziet ook een verdere ‘politisering’ van de politie door de verschoven positie van de korpschef.

Landelijke politiestaking in 2008, naar aanleiding van het stuklopen destijds van de CAO gesprekken. foto Evelyne Jacq

Politiemensen met bij de knie afgeknipte uniformbroeken op het Malieveld, protesterend tegen stagnerende cao-onderhandelingen,- weet u het nog? Politieauto’s in demonstratieve optocht die stapvoets rijdend het verkeer op rijkswegen ophielden tot grote ergernis van de andere weggebruikers. De methoden variëren, maar ze worden na enige tijd of gênant, of doen afbreuk aan het uniform, of bestaan uit overtredingen. Wat ze gemeen hebben is dat het effectieve pressiemiddelen zijn  in de strijd om betere arbeidsvoorwaarden van politiemensen

Oorlogsverklaring

De minister van justitie en veiligheid heeft een brief aan de politievakbonden geschreven over zijn inzet bij de onderhandelingen over de nieuwe cao. Het heet, u raadt het al, een “inzetbrief”. Het is de bedoeling dat ook de vakbonden zo’n inzetbrief schrijven als start voor  et proces van loven en bieden dat er op volgt. Die vakbonden schreven wel een brief, maar het is een oorlogsverklaring geworden.

Dat kan allemaal deel uitmaken van een strategie die tot een mooi gemeenschappelijk resultaat leidt, maar er is meer aan de hand. De minister heeft te weinig beeld van de massieve ontevredenheid binnen de politie. Een deel daarvan stamt nog uit de reorganisatie waarnaar met onbegrip en verbijstering is gekeken. Die heeft tot desoriëntatie en teleurstelling bij veel politiemensen geleid en tot verder verlies van  vertrouwen in regering en parlement.

Risicoberoep

De minister heeft daarnaast geen goed beeld van de immer oplopende belasting binnen politie-eenheden noch van de ontwikkeling van de politie naar een “hoog risicoberoep”. Dat is fnuikend. De minister leek juist de goede weg in te slaan door de ellende waarmee de grote reorganisatie gepaard ging om te buigen naar een kalm ontwikkelingsplan. Dan zou iedereen langzamerhand kunnen wennen aan een nieuwe positie, een nieuwe omgeving en procedures. De vele noodverbanden zouden langzamerhand plaats maken voor nieuw elan en voor nieuwe mensen.

Dat nu blijkt niet uit de inzetbrief, zo menen de vakbonden, en ze hebben een punt. Er is te weinig aandacht voor de belangen van vooral uitvoerende politiemensen. Het is geen vetpot bij de politie. In het verleden werd de betrekkelijk slechte beloning  voor een deel  gecompenseerd door goede secundaire arbeidsvoorwaarden. Een eigen ziektekostenvoorziening, vroeg-pensioen, voorzieningen waardoor ouderen geen belastende diensten meer hoefden te doen. Nu ambtenaren meer gelijk zijn getrokken met de private sector zijn voordelen voor politiemensen en militairen  verdwenen. De vraag komt op waarom mensen nog de fysieke en psychische risico’s willen lopen voor zo’n salaris.

Kamp van de minister

Vanuit het oogpunt van een goede bedrijfsvoering heeft de minister echter ook een punt. Het is een maatschappelijk belang dat de politie zich verder ontwikkelt: toenemende flexibilisering  en een betere roosterindeling kunnen daarbij helpen. Daar zit nu de botsing. Een  pijnlijk verschil met de vorige onderhandelingsrondes is dat nu niet alleen de minister partij is aan werkgeverszijde, maar ook de nationale korpschef. Ook zijn handtekening prijkt onder de  inzetbrief van de minister. Dat is nieuw.  

De commissie die de nieuwe Politiewet evalueerde, suggereerde meer ruimte en bevoegdheid voor de korpschef en minder voor de minister. Welnu, dat is nu zichtbaar. “In de kern pleit de (evaluatie)commissie (Politiewet 2012) ervoor de politie een gezamenlijk bestuurde institutie te laten zijn met gedeelde basisprincipes voor sturing en ontwikkeling. Voor het overgrote deel worden deze aanbevelingen overgenomen”, aldus de minister in een brief aan de Tweede Kamer van 15 juni. Dat is een dramatisch misverstand.

In de eerste plaats omdat nu de korpschef in de cao-onderhandelingen deel is geworden van het kamp van de minister en het departement, en niet tot het kamp van zijn eigen mensen behoort. De korpschef is even niet meer hun baas die ook hun belangen behartigt en voor  zijn mensen staat, maar  iemand die mede verantwoordelijk is voor het politieke beleid ten aanzien van de politie. En dat is fnuikend in een organisatie waarin geldt dat ieder boven schaal negen gewantrouwd dient te worden en korpschefs toch al moeite hadden om het contact met hun mensen te behouden. Konden vroeger korpschefs af en toe nog publiekelijk verklaren begrip te hebben voor de eisen van hun mensen of die te steunen, nu staat de korpschef naast de minister.

Gijzelen

Het ongemak reikt verder. Wie naar de aanbevelingen van de evaluatiecommissie kijkt zien dat ze zijn geschreven vanuit het perspectief van de topambtenaar en de bestuurskundige. De korpschef is een soort topambtenaar geworden, gebonden aan de minister en ingebed in een politiek-bestuurlijke overlegstructuur die hem op afstand van zijn eigen organisatie zet. Hij wordt medeverantwoordelijk voor de politieke keuzes ten aanzien van de politie, van de regering en van de minister. Het is een conditie voor de politisering van de politie. De eerste nationale korpschef had nog de ambitie om een hitteschild tegen de politiek te zijn. De uitvoering van de aanbevelingen van de evaluatiecommissie gijzelen echter zijn opvolger.

De Politiecolumn wordt geschreven door deskundigen uit de politiewereld. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar Politie en Mensenrechten.

    • Piet van Reenen