„Toen ik Huize Alexandra binnenkwam was er geen onderwijs, hooguit wat kooklessen”

Barbara Hoijtink (1960) zat opgesloten bij de zusters in Almelo van 1976 tot 1978.

„Ik herinner me de trapnaaimachines waarmee we handdoeken en washandjes moesten stikken.” Deze foto is ter illustratie gemaakt in het Museum van de 20ste eeuw in Hoorn. Foto Merlijn Doomernik

Het klinkt misschien raar, maar Barbara Hoijtink (58) ging in 1976 zelf naar de zusters van de Goede Herder. Beter gezegd, als zestienjarig meisje wilde ze maar één ding en dat was haar ouderlijk huis in Emmen uit. Alles beter dan dat. Dus stapte Barbara het voormalige gesticht binnen, dat inmiddels Huize Alexandra heette. Ze zou er twee jaar blijven.

Juist in die periode veranderde het regime in het internaat. Zoals elders in de jeugdzorg in Nederland kwamen er nieuwe pedagogische inzichten en meer vrijheden voor de meisjes. Zusters trokken zich terug en beroepskrachten namen het werk over. Barbara maakte de overgang mee.

„Toen ik Huize Alexandra binnenkwam was er geen onderwijs, hooguit wat kooklessen.”

Het was in het begin, zoals in de eeuw daarvoor, naaien wat de klok sloeg. Vaak voor commerciële opdrachtgevers. Nog steeds was er geen privacy, nog steeds sliepen de meiden in chambrettes op de slaapzaal en nog steeds moesten ze verplicht werken. „Ik herinner me de trapnaaimachines waarmee we handdoeken en washandjes moesten stikken. En andere klussen, zoals het inpakken van kerstservetten voor de firma Celtona. We zaten opgesloten en er was rond de klok toezicht. Dat nam niet weg dat er van tijd tot tijd meisjes wisten te ontsnappen.”

Wat wel al veranderd was toen ze binnenkwam, was het verplichte zwijgen. Het was niet langer verboden om te praten. En in plaats van elke dag in de vroege ochtend op de knieën in de kerk, was er nu eens per week een mis.

De gesloten deuren en de hoge muren in Almelo zouden de democratiseringsgolf die door de jeugdzorg ging niet kunnen keren. Tot de nieuwe verworvenheden behoorde een versoepeld rookregime. „Op één na rookten alle meiden in mijn groep. Dat was toen hip.” Tot dan toe deelde een zuster per dag één sigaret per meisje uit - als er hard gewerkt werd en het gedrag goed was. „Maar als iemand haar eten niet wilde opeten, kreeg de hele groep geen sigaretten.” Later mochten de meiden één pakje sigaretten of shag per week roken. Na de lunch en het avondeten, en ‘s avonds in de groep.

Het naaien als dagbesteding verdween niet helemaal, maar er kwamen ook mogelijkheden om buitenshuis te werken. Of om te studeren. Barbara mocht naar een ‘begeleid wonen groep’ en ging werken in een peuterspeelzaal. „Daarna is het mij gelukt om weer naar school te gaan. Met vallen en opstaan heb ik mijn havo-diploma gehaald. daarna merkte ik dat niemand op me zat te wachten vanwege dat stempel ‘tehuiskind’.”

Waar in vroegere tijden meisjes na jaren dwangarbeid het gesticht verlieten met hooguit een koffertje met een treinkaartje, was Barbara beter af. „Ik kreeg een paar honderd gulden mee toen ik weg mocht.”

Haar herinneringen zijn niet louter negatief. Het ging haar ook niet slecht in het leven. Ze woont in Portugal. Maar toch: „Nu ik er zo over praat, merk ik dat het me wat doet. Ik heb last van nachtmerries. Het verleden heeft me nooit losgelaten.”

    • Joep Dohmen