Recensie

Schilderen, terwijl de ETA in de straten staat

Spanjaarden noemen Luis Carrero Blanco (1903-1973) ook wel ‘de eerste Spaanse astronaut’ of ‘de eerste Spanjaard in de ruimte’. De admiraal, lange tijd beoogd opvolger van generaal Franco, dankt zulke bijnamen niet aan zijn verdiensten voor de ruimtevaart, maar aan zijn spectaculaire levenseinde. Op een decemberdag in 1973 ontplofte er een dusdanig forse bom onder zijn auto dat hij met voertuig en al over een hoog gebouw werd gelanceerd en aan de andere kant op een balkon belandde. Carrero Blanco’s eerste ruimtereis was meteen zijn laatste.

De ETA zat erachter. De Baskische afscheidingsbeweging wist waar het de bom moest plaatsen nadat een schrijfster hen over Blanco’s vaste route tipte, zo valt te lezen in een nawoord van de tweede roman van Matthijs Eijgelshoven (1975). De verknoping van kunst en (militante) politiek is een constante in Ochtend op Denmark Hill, waarin hoofdpersoon Sebastian in de jaren negentig een schilderscarrière wil opbouwen in Baskenland. ETA-aanhangers demonstreren in de straten van Bilbao en de man die Sebastian ooit tot schilderen wist te bewegen, de enigmatische Ramón Iriarte, blijkt niet alleen een begenadigd schilder te zijn geweest, maar ook ETA-sympathisant.

Structureel gezien bekleedt Iriarte een rol die je ook in de romans van Roberto Bolaño ziet: hij is een door Sebastian nagejaagde schim die op zeker moment in rook lijkt te zijn opgelost. In zijn afwezigheid is Iriarte een soort mal voor Sebastian, een leeg canvas waar hij denkbeelden op kan projecteren.

Is Ochtend op Denmark Hill een roman over kunst? Dat ook, maar Eijgelshoven, die eerder het degelijke, ingetogen debuut Retour Calypso (2016) afleverde, heeft zich er niet op vast willen pinnen. Want behalve over kunst schrijft hij ook over Sebastians liefdesleven en vriendschappen. Monotoon wordt het hierdoor nooit, maar omdat een overtuigende verknoping van de drie draden uitblijft, ondersteunen ze geen overkoepelend thema of sentiment. Aan effectiviteit valt er dus nog te winnen. De roman is op zijn best in de behandeling van de vraag wat (goede) kunst is. Als er iets is wat Eijgelshoven duidelijk maakt, is het hoezeer de, zogenaamd autonome, kunstenaar is overgeleverd aan de erkenning van anderen. Week in, week uit volgen we Sebastian in zijn atelier, schavend aan zijn schilderijen, terwijl een echt goede verstaander ervan niet verschijnt. En áls er al eens iemand opduikt die iets in zijn kunst ziet, dan toch vooral in de werken die Sebastian zelf niet bijzonder vindt.

Daarnaast, of misschien wel als gevolg daarvan, werpt Eijgelshoven de vraag op hoezeer de kunstenaar zichzelf moet of mag verloochenen. Nadat hij zijn promotor en mecenas heeft ingeruild voor een andere lijkt het succes binnen handbereik, maar helemaal goed voelt het ook weer niet. Nee, dan die Iriarte, die nooit water bij de wijn deed. Zo onafhankelijk is hij zelf blijkbaar niet.

Eijgelshoven heeft een afkeer van bombast. Soms heeft Sebastian trek om iemand een stoot op de bakkes te geven, maar heethoofdiger wordt het niet. Enerzijds is het een weldaad om een beginnend schrijver te lezen die echt een verhaal laat ontstaan, maar anderzijds zal er toch echt wat peper bij moeten de volgende keer. Saai als het leven moet de kunst niet worden.

    • Sebastiaan Kort