„Na drie dagen weigeren, hebben ze me maar uit de kast gehaald”

José van de Laak (1941) zat opgesloten bij de zusters in Velp van 1954 tot 1959.

„Alleen maar strijken. Elke dag van het jaar, behalve op zondag.” Deze foto is ter illustratie gemaakt in het Museum van de 20ste eeuw in Hoorn. Foto Merlijn Doomernik

José van de Laak (76) uit Tilburg was dertien jaar toen ze door mejuffrouw Van Gemert van de kinderbescherming werd afgezet bij de zusters van de Goede Herder in Velp. Thuis ging het niet meer. Haar moeder was er met een andere man vandoor. Haar vader kon de vijf kinderen niet verzorgen. Voor José werd een oplossing gevonden bij de zusters.

In haar geheugen zit gekliefd dat de zusters haar dwongen om hen ‘moeder’ te noemen. „Dat vertikte ik. Mijn moeder was dan wel weggelopen, maar ik had maar één moeder. Als drukmiddel hebben de nonnen mij toen opgesloten in een strafhok, eigenlijk een grote klerenkast, aan de achterzijde van de slaapzaal. Ik kreeg elke dag de vraag of ik bereid was ‘moeder’ te gaan zeggen. Na drie dagen weigeren, hebben ze me maar uit de kast gehaald.”

Haar herinneringen zijn vaag en scherp tegelijk. Veel heeft ze in haar leven weggestopt, maar inmiddels komen de beelden terug. „Ik las de verhalen over de Goede Herder en was de hele dag van slag.”

Van haar dertiende tot haar achttiende was ze in handen van de nonnen. Ze kwam binnen met alleen lagere school en moest meteen werken. Van een brede opleiding in huishoudelijk werk was geen sprake. Bijna vijf jaar stond ze dagelijks op de strijkafdeling. Daar werkte ze met gasbouten, strijkijzers op gas.

„Ik hoefde niet te naaien, niet te werken in de keuken of wat dan ook. Alleen maar strijken. Elke dag van het jaar, behalve op zondag.” Het was een bedrijf, legt ze uit. „We kregen strijkgoed van buiten. Hemden, doopjurken, van alles.”

Het regime was streng. Zwijgen tijdens het werk en veel naar de kerk. Nooit met twee meisjes alleen lopen, altijd met drie.

Op haar achttiende ging José naar Den Bosch, naar een huis voor werkende meisjes aan de Van der Does de Willeboissingel. Het werd geleid door juffrouw Van Beurden. Zij regelde een betrekking in de huishouding. José werd dienstmeisje in de woning van een katholieke arts. Tien gulden per maand mocht ze houden.

Op haar twintigste werd ze ongehuwd zwanger. Haar zoon, Rob, werd door de kinderbescherming weggehaald. Later trouwde José. Ze kreeg nog een zoon. Met Rob heeft ze nog steeds contact. „Toen hij achttien werd, heb ik hem voor het eerst ontmoet. Ik weet het nog goed. Wat een emotie.”

    • Joep Dohmen