Mesopotamiër dronk bier met een rietje

Archeologie

Chemische analyse van potscherven, opgegraven in Koerdisch Irak, geeft een nieuw beeld van een historische ‘biercultuur’ in Mesopotamië.

Drinkbekers en -kannen recent opgegraven in Noord-Irak, uit ongeveer 1400 voor Christus. Foto Sirwan Regional Project

Voor de volkeren die leefden in Mesopotamië, het Tweestromenland tussen de Eufraat en de Tigris, was bier dé nationale drank. We weten dankzij hun boekhouders dat ze al enkele duizenden jaren voor Christus vele liters per week dronken, maar archeologisch bewijs voor deze dorstigheid was tot voor kort nauwelijks voorhanden. Alleen als er biersteen (een bezinksel van calciumoxalaat) op het aardewerk zat, kon een vat of beker aan de productie en consumptie van bier worden gekoppeld. Het moest dan wel te zien zijn door een microscoop.

Onderzoekers van de Universiteit van Glasgow hebben nu een nieuwe methode ontwikkeld waarmee ze bier in keramische voorwerpen kunnen opsporen, ook als het onzichtbaar is. Ze publiceerden er vorige maand over in het Journal of Archaeological Science.

Eén van de opvallendste conclusies van hun chemische analyse: de manier van gezamenlijk bier drinken veranderde in de loop van de tijd. Babyloniërs, die in het tweede millennium voor Christus het land beheersten, dronken eerst samen uit dezelfde kruik. Later kregen de drinkers allemaal hun eigen beker. Volgens onderzoeker Claudia Glatz kan dit wijzen op het veranderen van sociale conventies, zegt ze via de telefoon. „Het werd bijvoorbeeld mogelijk om een toost uit te brengen. We zien ook dat die grote kruiken niet meer gemaakt worden, dus daar is echt iets aan de hand.”

Rolzegel met bovenin een afbeelding van mensen die met een rietje uit een kan drinken, Mesopotamië rond 2500 voor Christus.

Foto British Museum

Dat bier een serieuze zaak was voor de inwoners van het oude Babylon, weten we onder meer dankzij de beroemde zuil van koning Hammurabi (1792 -1750 voor Christus). Daarop staat een aparte straf vermeld voor de uitbaters van taveernes die hun klanten te weinig bier gaven voor hun geld. Deze schurken – meestal vrouwen, wordt er expliciet bij vermeld – moesten in het water worden gegooid.

Verwijzingen naar een brouwsel op basis van gerst en gist zijn al te vinden in de oudste vormen van het spijkerschrift, rond 3000 voor Christus, toen het Babylonische rijk nog lang niet bestond. Klerken in steden als Ur, Uruk en Lagash – in het zuiden van het huidige Irak – hielden in spijkerschrift nauwkeurig de productie en distributie bij. Bierliefhebbers hadden wat te kiezen, zo blijkt uit de kleitabletten. De scribenten noteerden onder meer hoeveelheden ‘gouden bier’, ‘donker zoet bier’ en ‘rood bier’.

Rolzegels en tegels

Afbeeldingen van Mesopotamische bierdrinkers zijn er ook, op rolzegels en tegels. We zien groepjes mensen rondom grote kannen zitten waaruit ze met rietjes hun bier slurpen. Dat deden ze niet om sneller dronken te worden, maar om te voorkomen dat ze het residu van het brouwproces in hun mond kregen. Bier maakte onderdeel uit van heilige rituelen, maar ook van meer profane bezigheden. Zo zijn er meerdere tegels van rond 1800 voor Christus bewaard gebleven waarop een copulerend stel is te zien; de vrouw buigt al parend voorover om met een rietje bier uit een kruik te drinken.

Archeologisch bewijs voor de productie en consumptie van bier was tot nu toe dus zeldzaam, maar daar hebben de archeologen van de Universiteit van Glasgow verandering in gebracht. Ze voerden hun nieuwe manier van analyseren uit op (resten van) uit klei gebakken bekers en vaten die zijn aangetroffen bij de recente opgraving van een nederzetting in het Koerdische deel van Irak. Met behulp van koolstofdatering stelden ze vast dat de grote kamer waar ze de voorwerpen aantroffen tussen 1415 en 1290 voor Christus is gebouwd. In deze periode werd Babylon overheerst door de Kassieten, een volk dat uit het noordelijke Zargosbergte was afgedaald en het rijk van de opvolgers van Hammurabi had veroverd.

De archeologen onderzochten hun vondsten door middel van gaschromatografie. Bij deze methode worden met behulp van een gas de verschillende moleculen waaruit een materiaal bestaat van elkaar gescheiden. Archeologen zijn er zo al in geslaagd sporen van melk, honing en wijn in oude keramische resten op te sporen. Deze methode is echter bijzonder gevoelig voor vervuiling van de meetresultaten, legt Glatz uit. „Voorwerpen die bij iedere opgraving aanwezig zijn – van zonnebrand tot de plastic zakjes waarin vondsten worden opgeborgen – maken, als ze in contact komen met de artefacten, onderzoek met behulp van gaschromatografie onmogelijk. Van plastic loopt de machine zelfs vast.”

Ontsmette pincetten

Daarom ontwikkelden de Schotse archeologen een nieuwe, steriele manier van opgraven en opslaan. Ze droegen katoenen handschoenen en pakten voorwerpen alleen op met in aceton ontsmette pincetten. De artefacten werden vervolgens niet gewassen met water, wat meestal gebeurt bij een opgraving, maar meteen gewikkeld in aluminiumfolie dat in een oven tot 450 graden Celsius was verhit.

De schone scherven werden vervolgens in het laboratorium onderzocht op organisch materiaal dat in de gebakken klei was doorgedrongen. Glatz: „Meestal is er naast onderzoek met gaschromatografie ook nog onderzoek met een andere machine nodig, bijvoorbeeld om ionen op te sporen, maar met onze methode volstaat één analyse.” Om de aanwezigheid van biergerelateerde moleculen te kunnen vaststellen, analyseerden de archeologen ter vergelijking de samenstelling van een modern bier op basis van tarwemout en gerstemout (Erdinger Weißbier) en een bier op basis van alleen gerstemout (Budweiser Original).

In totaal zijn er tien stoffen aangetroffen die erop duidden dat er bier in de bekers en vaten had gezeten. Het gaat onder meer om squaleen (een meervoudig onverzadigde koolwaterstof die in gist voorkomt), pyrazine (een verbinding van koolstof en stikstof die werkt als antioxidant en voorkomt in gerstemout) en barnsteenzuur (een verbinding van koolstof, waterstof en zuurstof die tegenwoordig in synthetische vorm als smaakversterker wordt gebruikt). Deze laatste stof vonden de onderzoekers alleen in de grote vaten waarin het bier gegist was. Het is voor de eerste keer dat chemisch is vastgesteld in wat voor vaten men bier brouwde.

Opvallend genoeg troffen ze in geen van de onderzochte potscherven moleculen aan die duiden op de aanwezigheid van wijn. Dit gefermenteerde druivensap was zeker niet onbekend in Mesopotamië, maar in deze nederzetting kennelijk wel onbemind.

Kleine kopjes

Een copulerend stel, waarvan de vrouw met een rietje drinkt uit een kan, Babylon 1800 voor Christus.

Foto British Museum

De Schotse archeologen trekken uit hun meetresultaten een aantal interessante conclusies. Opvallend was dat ook in de kleinste kopjes restanten van bier zijn aangetroffen. Tot nu toe werd aangenomen dat deze elegantere bekers alleen werden gebruikt om wijn te drinken.

Hun bevindingen duiden erop, aldus de onderzoekers, dat het gezamenlijk met rietjes bier uit een grote kan drinken aan populariteit had ingeboet in het Babylonië van de Kassieten. Ook aardig: een aantal van de bekers was niet erg geschikt om neer te zetten op tafel. De consument moest zijn kelk dus de hele tijd vasthouden, of snel leegdrinken.

De onderzoekers vonden ook ‘biermoleculen’ in een beker die werd aangetroffen in een rituele context. Van de Babyloniërs is uit tekstvondsten bekend dat bier een rol speelde in rituelen. Omdat de opgraving plaatsvond in een streek die behoorde tot de periferie van het Babylonische rijk, lijkt de aanwezigheid van deze beker te bewijzen dat dit soort gebruiken was doorgedrongen tot aan de randen van het door de Kassieten beheerste gebied.

Hun nieuwe manier van werken belooft volgens het Schotse team veel voor de toekomst. Glatz: „Als iedereen onze manier van opgraven gaat gebruiken, heeft dat de potentie om het onderzoek naar en de bestudering van de gebruiken rondom eten en drinken in het Nabije Oosten, en elders, te transformeren.”

    • Bart Funnekotter