‘Kom snel hierheen, de pleuris is uitgebroken’

Verzakkingen Het ging helemaal mis op de Vijzelgracht, tien jaar geleden. Nadat eerder al vier monumentale huisjes onbewoonbaar waren verklaard, verzakten wederom meerdere panden. „Je kúnt het niet zelf oplossen. Het is te groot.”

Wevershuisjes aan de Vijzelgracht in Amsterdam, verzakt door werkzaamheden aan de Noord/Zuidlijn. Foto Olivier Middendorp

Kees Winkel kwam net uit zijn werk en had wat boodschapjes gehaald voor de mooie zomeravond toen hij om de hoek de buurvrouw aantrof, jankend op haar bordes. „Wat is er aan de hand met je”, vroeg hij. „Ik kan er niet in!” Twee mannen met helmen liepen langs, lange stok in de hand. „Wat is hier aan de hand”, vroeg Winkel. „Mogen we niet zeggen.” „Ja hállo, ik wóón hier.”

Ze gingen het grondwater meten, begreep hij. Er was beneden iets mis. Maar geen paniek.

Kees Winkel liep naar zijn eigen huis en draaide het slot van de voordeur. Hij duwde, maar de deur ging niet open. Had zijn puberzoon, alleen thuis met de hond, ’m een poets gebakken? „Joh, doe die deur open man!” riep hij. „Gaat niet!” klonk het. „Het stucwerk komt van het plafond!”

De bewoners aan de Vijzelgracht in Amsterdam waren al best wat gewend toen zich op 10 september 2008 rond 18.40 uur ter hoogte van huisnummers 4 tot en met 10 een verzakking aankondigde. Ze hadden al meegemaakt hoe rond de eeuwwisseling de grote platanen in de straat als eerste het veld moesten ruimen voor de aanleg van de nieuwe metrolijn. De straat ging open voor het verleggen van kabels en riolen waarna op anderhalve meter van hun gevels voor de duur van vele jaren bouwhekken werden geplaatst. Er verschenen metershoge installaties die de honderden stalen damwanden met geweld de grond in beukten.

Foto Olivier Middendorp
Foto Olivier Middendorp

Bewoners memoreren aan de dagelijkse colonne cementwagens met hun eeuwig ronkende dieselmotoren, cement moet blijven draaien, bedoeld voor de nóg diepere betonnen wanden. En aan het kabaal veroorzaakt door het uitgraven van de grond; zand, veen, zeeklei en water, maar ook stukken kademuur en houten palen, achtergebleven na het dempen van de gracht in de jaren 30 van de vorige eeuw, toen voor de aanleg van een tram. Als Wolbert Vroom, de huisbaas van Kees Winkel, tevens eigenaar van drie panden waaronder in het souterrain zijn architectenbureau, uit het raam keek zag hij na elke greep die de graafmachine in de grond deed een kleffe Brinta-pap vol troep naar boven komen. Drab met daarin tientallen vergruisde palen, alleen te verwijderen door luid en langdurig tikken tegen de rand van de vrachtwagen die het spul moest afvoeren. Staal tegen staal, galmend tegen de gevels. Maandenlang. En altijd die zooi van de bouwplaats, en die planken voor de deur, en dat zand binnenshuis, en dat totale gebrek aan privacy, zoals wanneer bovenbuurman Kees Winkel ’s ochtends in zijn onderbroek telkens oog in oog stond met diezelfde Roemeense kraanmachinist.

En natuurlijk lag ook de verzakking drie maanden eerder nog vers in het geheugen. Toen de hele buurt had gezien hoe vier 17de-eeuwse huisjes twee blokken verderop na lekkage in een damwand tot 14 centimeter diep de grond in zakten vanwege weglopend grondwater. Deuren klemden, huizen kraakten en vóór haar ogen zag een bewoonster, net ontsnapt aan vallend glas, twee grote scheuren in haar gevel ontstaan, kruipend als muizentrapjes omhoog. Ze belde 112. De huizen werden onbewoonbaar verklaard, de bewoners moesten verhuizen en er volgde een technisch onderzoek, waarna de wethouder de bouwvakkers op 10 september hun werk liet hervatten omdat alles veilig zou zijn.

Alsof de bewoners aan de Vijzelgracht dáár toen nog in geloofden. Zij wisten inmiddels dat een metrotunnel bouwen geen technisch vernuft is maar mensenwerk, met ploeterende betonvlechters en getimmer en geroep op de bouwplaats, met ruziënde aannemers die de bouw soms weken stilleggen en cementwagens die te lang moeten wachten waardoor het beton niet meer bruikbaar is en damwanden die, beoogd gladjes in elkaar te haken als panelen, soms met louter rammen de grond in gaan. Vooral die laatste damwand, pal voor Vroom en Winkel, gleed er niet soepel in. Dat duurde wéken. Juist onder de Vijzelgracht bleek de bouw van de metrotunnel een constructie die nét niet lekker paste. Dan weet je het wel.

Foto Olivier Middendorp

Dus toen het in de avond van 10 september dreigde mis te gaan, wist Kees Winkel wat hij moest doen. „Ga via de tuin naar buiten en neem de hond mee”, zei hij tegen zijn zoon. Daarna liep hij naar de buurvrouw met wie hij de tuin deelt. „Volgens mij breekt de pleuris uit”, zei hij. „Pak de bellijst met journalisten erbij.”

De zwakke plek op 15 meter diepte was ’s middags al direct bij de herstart ontdekt. Om twaalf uur trof de opzichter bij een voeg tussen twee damwanden een doordringbare plek aan van twee vuisten breed. Hij stak zijn duimstok in het zachte materiaal en reikte 60 centimeter diep. Het was een van de 86 risicoplekken die het onderzoek in de hele diepwand van de Vijzelgracht, uitgevoerd na de eerste verzakking, had blootgelegd. Maar waarover de bewoners niet waren geïnformeerd.

Lees ook het artikel uit september 2008: Alleen voor een slang mag je je huis nog in

Idealiter zouden de monumentale huisjes aan de Vijzelgracht met hun palen rusten op de tweede zandlaag, 20 meter onder de grond. Maar hun palen reiken niet verder dan 12 meter, rustend op een kleiachtige substantie met het grondwater als bindmiddel. Zou je dat water onttrekken, dan stort de boel in zoals bij een iets te enthousiast ondergraven zandkasteel.

De toezichthouder meldde de plek bij de aannemer en om vijf uur ’s middags begon die met het herstel. Hij boorde er drie staalplaten tegenaan, maar bij de laatste ging het mis. Om 18.40 uur spoot grondwater met grote kracht vanachter de platen vandaan, zo de tunnelbak in.

„Kom hierheen”, zei Kees Winkel over de telefoon tegen zijn huisbaas Wolbert Vroom. „De pleuris is uitgebroken.” Maar Vroom, die vlakbij zat te eten, kon het niet geloven. Pas toen Winkel 5 minuten later nog eens belde – „Het is écht serieus Wolbert” – snelde hij ernaartoe.

Wolbert Vroom, Vijzelgracht 6, heeft een architectenbureau in het souterrain en is eigenaar van nog twee panden, ging op 10 september 2008 zijn kantoor in. „Ik dacht: einde oefening.”

Foto Olivier Middendorp

Een stervend huis, zoiets had Wolbert Vroom nog nooit gezien. Hij wilde het erváren en stapte, terwijl iedereen naar buiten ging, zijn kantoor in. Vroom hoorde zijn hele bezit kraken, krijsen en piepen en dacht: dit is het dus, einde oefening. Moet ik nog iets redden? Maar hij ervoer een soort rust en had geen angst. Hij had er, vreemd genoeg, wel vrede mee, alsof hij in een film zat. Tot zijn vrouw belde en zei: „Wat doe je daar, wegwezen!” Via het achterraampje kon hij nog snel eruit.

Buiten stond het inmiddels vol met politie, brandweer, bouwvakkers en journalisten. De tientallen bewoners zochten elkaar op. Ze kenden elkaar. Het buurtje is een hechte gemeenschap. Vroeger woonden hier de loodgieters en timmerlieden, een aanzienlijk deel is nog altijd sociale huurwoning. Er wonen nu welvarende mensen en Bekende Nederlanders – Ramses Shaffy woonde om de hoek – maar ook een aantal Amsterdamse families die er al generaties leven. Ze begroeten elkaar op straat, in het buurtcafé, bij de kapper.

Kunstenaar Peter Doeswijk, galeriehouder aan de overkant (Vijzelgracht 11), richtte een ondernemersvereniging op en een buurtkrant voor het laatste nieuws (nog altijd in bedrijf).

Foto Olivier Middendorp

En ze hadden sinds de metrolijn een gemeenschappelijke vijand: de gemeente, te groot om zelfstandig te bevechten. De bouw leidde tot overlast en schade en al sinds de bomenkap kwamen de bewoners bij elkaar. Kunstenaar Peter Doeswijk richtte een ondernemersvereniging op en een buurtkrant voor het laatste nieuws. Bewoners organiseerden op eigen initiatief bijeenkomsten met de gemeente waarop pittig werd gediscussieerd. Want in dit buurtje is niemand op zijn mond gevallen.

„Dus u wilt mij ontzetten?” zei Kees Winkel tegen een agent te paard. Hij kon niet begrijpen dat de agent hem sommeerde aan de ándere kant van het roodwitte lint te gaan staan. Wat maakt het uit dat hij, als bewoner, zijn lijf positioneert op één centimeter van de binnen- in plaats van de buitenkant van het lint? „Moet je eens proberen met je kutpaard!”

Kees Winkel, bewoner Vijzelgracht 8. „Ik ben dakloos geworden”, riep hij uit. „Ik ben fucking dakloos geworden.” Het stond de volgende dag dikgedrukt op de voorpagina van Het Parool.

Foto Olivier Middendorp

Zijn woede liep op toen Winkel later werd aangetikt door een agent. Of hij wilde meekomen. Hij zag zijn vrouw, twee kinderen en de hond al in een politiebusje zitten, klaar om te worden vervoerd naar een opvanglocatie. Of hij wilde plaatsnemen. „Eruit!” verordonneerde Winkel zijn gezin. „Dit gaan we niet doen! We laten ons niet afserveren als halve criminelen!”

Zijn woede bereikte een kookpunt toen ook de wethouder, die had gezegd dat alles veilig was, zich na middernacht meldde op de bouwplaats. „Ik ben dakloos geworden”, riep Winkel uit. „Ik ben fucking dakloos geworden.” Het kwam dikgedrukt op de voorpagina van Het Parool.

Die nacht bestelde Kees Winkel samen met de buren nog gebraden kippenvleugeltjes in Hotel Krasnapolsky. Hij had nog niets gegeten, zijn boodschappentas was hij verloren in de hectiek. Drie weken zou hij met zijn gezin bivakkeren in het vijfsterrenhotel op de Dam op kosten van de gemeente. Daarna elders in de stad. Zijn pand bleek 26 centimeter verzakt en het duurde drie jaar voor het was hersteld. Maar Kees Winkel keerde terug, net als Wolbert Vroom.

En nu, tien jaar later, kijkt Winkel vanuit zijn woonkamer uit op een soort „mini-Ramblas” met hardhouten banken en jonge platanen. Vroom heeft samen met Doeswijk alvast een vogelhuisje gekocht. Ze verheugen zich erop straks in te stappen voor de deur en dan pas weer buitenlucht te zien in Kuala Lumpur of Parijs. Kees Winkel slaat op zijn buik. „Ja, we zijn allemaal goed doorvoede westerlingen. En ja, er is erger in de wereld. Er is niets door brand verwoest. Al onze spullen zijn er nog.”

Maar toen een ambtenaar hem later nog eens voorrekende wat de gemeente aan zijn gezin had uitgegeven, borrelde zijn woede toch weer op. Dat een ontbijt in Krasnapolsky voor vier personen 114 euro kost, daar kon híj toch niets aan doen? Liever had hij het geld helemáál niet uitgegeven. Maar zijn gezin had niets. Geen kleding, geen tandenborstel, geen ondergoed, geen laptop. Voor de gemeente heette de verzakking een calamiteit, voor hem was het een ontwrichtende ervaring. De verzakking leidde tot spanningen in zijn gezin, zijn relatie, maanden liep hij als een zombie rond. „Je wéét gewoon niet wat je moet doen als je je huis niet in kunt. Je denkt: hoe ga ik dit oplossen? Maar je kúnt het niet zelf oplossen, het is te groot. Waar moet je beginnen? Je wordt als mens heel klein.”

    • Freek Schravesande