„Je mocht niet denken, niet praten. Je was niemand”

Lies Vissers (1953) zat opgesloten bij de zusters in Almelo en Bloemendaal van 1966 tot 1969.

Foto Merlijn Doomernik

„In Almelo hebben ze mijn identiteit afgepakt. We werden gedepersonaliseerd. Na drie jaar dwangarbeid kwam ik eruit. Ik durfde geen ‘nee’ te zeggen als mij iets gevraagd werd. Ik was een kameleon.”

Als meisje van bijna veertien jaar werd Lies Vissers (65) in het gesticht van de Goede Herder in Almelo opgesloten. Ze was beland in een heropvoedingstehuis voor gevallen vrouwen en ontspoorde meisjes. Drie jaar zat ze achter een industriële naaimachine. Geen cent kreeg ze betaald. „Ik wil mijn loon”, zegt ze nu. „Ik heb genoeg ellende gehad van die tijd. En met mij al die meisjes.”

Lies Vissers uit Rotterdam is moeder van vier kinderen. Oma van drie kleinkinderen. Haar leven? Daar is ze gauw klaar mee: „Ik heb niet normaal kunnen leven.” Haar eigen moeder had een misbruikverleden. Ze kon Lies en haar broertje niet opvoeden. Toen Lies twaalf was, stierf haar vader. „Mijn moeder schakelde zelf de kinderbescherming in.”

In Almelo moest ze naaien. „Ik weet niet welke bedrijven de opdrachten gaven.” Wat ze zeker weet, zegt ze, is dat ze onder het mom van ‘we leren naaien’ productie moesten maken. „De nonnen hebben er flink aan verdiend.” Andere meisjes werkten in de strijkkamer. Daar werd gestreken wat in de naaikamers in elkaar gezet was of in de wasserij was gewassen.

Lies: „Je mocht geen ‘nee’ zeggen, geen weerwoord hebben. Je mocht niet denken, niet praten. Je was niemand. Je was van hen. Niet meer van jezelf. Later in de maatschappij wist je van niks. Een psychiater vroeg me: ‘Lies, wat wil jij?’ Ik wist het niet.”

Na drie jaar kon ze weg, zeventien jaar oud. Dat was in de grote vakantie. Afscheid nemen van de meisjes mocht niet. Opeens stond ze buiten de poort met een koffer en afgepast treingeld in haar hand. Ze moest naar een tehuis voor werkende meisjes in Rotterdam. Ze liep er weg. De politie pakte haar op. Daarna volgde Huize Maria Immaculata in Bloemendaal, ook van de Zuster van de Goede Herder. „Weer liep ik weg. Ze hebben mij niet meer te pakken gekregen. Ik heb nooit meer een naaimachine aangeraakt.”

    • Joep Dohmen