Zonder smartphone op vakantie, hoe gaat dat?

Smartphonevrij Op 1 mei ruilden acht mensen voor een periode van zes maanden hun smartphone in voor een toestel waar ze alleen mee kunnen bellen en sms’en. Hoe gaat dat op vakantie?

Illustratie Roland Blokhuizen

We zitten in ons kleine camperbusje en het regent al twee dagen. Mijn dochter van twee zit onder de tafel en speelt met een emmer sop, een spons en twee pannen, mijn man kijkt op zijn telefoon. De camper schudt heen en weer in de wind, op ons veldje staan op alle immense babyboomer-Hymers de schotelantennes met hun gezicht dezelfde richting op. Ik ben al een week aan het lezen. Ik ben al een week mindful naar uitzichten en staafkerkjes aan het kijken. Ik heb geen zin meer om in het nu te zitten. Ik kijk naar mijn man en overweeg om ruzie te maken over zijn smartphonegebruik. Ik doe het niet. In plaats daarvan sla ik op de tafel en roep: „Je hebt 4G! Je hebt een onbeperkte databundel! Zet Netflix aan! Nu!”

Diezelfde dag werd ik onderweg gebeld. Het enige werktelefoontje van de hele vakantie. Waarom mijn naam niet onder de CPNB-rel-brief stond en of ik mijn naam wilde zetten onder iets dat daar weer een vervolg op was. „Welke CPNB-rel?”, vroeg ik. „Iets met Jan Siebelink”, riep mijn man vanachter het stuur. „Stond op NOS.nl.” Aan de andere kant van de lijn legde iemand me uit hoe en wat. Ik antwoordde en hing op. Daarna was ik blij dat ik mijn laptop niet had meegenomen.

Gras maaien

Ik ben verslaafd aan werken. Als ik een laptop had meegenomen, had ik iedere dag wel een keer e-mails beantwoord. Want waarom niet? De makke van het nu: de ja-maar-het-kan-nu-wel-eventjes-tussendoor-stand. Een stand die bijna nooit door werkgevers wordt geëist, maar als vanzelf door de werkende mens wordt aangenomen. Mensen zijn altijd op zoek naar afleiding. Toen ik vorig jaar op schrijf-retraite op een locatie zonder internet was, stond ik ineens het gras te maaien, alleen omdat ik geen zin had om te schrijven. Nu heb ik geen laptop, kan ik geen afleiding zoeken in mijn telefoon, en is er ook geen gras om te maaien. Er resten mij een boek en het uitzicht.

In het boek dat ik ’s avonds lees, vertelt de ik-persoon dat ze om te schrijven vele uren over het water van een meertje moet staren. Dat ze dan niets lijkt te doen, maar wel degelijk hard aan het werk is. Dat haar hulp in de huishouding daar werkelijk niets van begrijpt. Die vindt haar maar raar en lui.

En terwijl ik door Noorwegen rijd, realiseer ik me dat daar de crux zit. Het wel en wee van de virtuele wereld van nu is niet per se rijmbaar met een universele ouwe koe als de grot van Plato: we hoeven nergens uit gered te worden. Niet de wereld waarin wij gedwongen zijn te vertoeven is het probleem, maar de menselijke eigenschap om altijd ergens anders te willen zijn dan daar waar je op dat moment bent. Hoe goed je het ook hebt.

Met smartphones en sociale media wordt die leegte zoveel mogelijk opgevuld. Zelfs als je op vakantie bent. En juist als je 4G hebt en ongelimiteerd de serie kunt kijken die je thuis ook aan het bingewatchen was. Juist als je moeder je via WhatsApp vraagt wat voor dorpje dat was, dat je postte op Instagram of Facebook. Mooie foto, mooi kind, like, like, duim, hartje.

Mijn man kijkt op zijn horloge. „Of zullen we het nieuws kijken?”

Ik zucht van ja, alsjeblieft. Mijn dochter klimt op schoot. Hij sluit de telefoon aan op de speakers van de bus en hangt het scherm aan de achteruitkijkspiegel. Rob Trip vertelt dat André van Duin de ere-Nipkowschijf heeft gewonnen.

Het offline- en zogenaamde mindful-bestaan van deze tijd bestaat bij gratie van mensen om je heen die wel een apparaat met een internetverbinding hebben. Ik leun achterover. Heerlijk. De klaterende waterval buiten kan me voor de rest van de dag gestolen worden.

    • Hanneke Hendrix