„In de regel sloegen ze met rietjes”

José van den Berg (1930) zat opgesloten bij de zusters in Almelo van 1947 tot 1951.

„Die stank, die vreselijke stank.” Dag in dag uit stond ze in de wasserij. Deze foto is ter illustratie gemaakt in het Museum van de 20ste eeuw in Hoorn. Foto Merlijn Doomernik

„Die stank, die vreselijke stank.” Als José van den Berg (87) uit Maastricht eraan denkt, moet ze nog kokhalzen. Als tiener stond ze in de wasserij van het gesticht in Almelo. Badend in het zweet, voorovergebogen in een grote kuip. In haar handen een borstel. Uit de kuip stegen de dampen op van het gloeiende water waarin de vuile was van een heel mannenklooster dreef.

Op 3 mei 1947 was ze afgeleverd bij het gesticht van de Zusters van de Goede Herder. Dag in dag uit stond ze in de wasserij. Elektrische wasmachines waren er niet, dus de was werd gekookt en op de hand geborsteld. Om haar heen stonden veel jonge meisjes. „Het was zo treurig. Ik kon me goed verweren, maar die meisjes van een jaar of tien niet. Ik heb daar dingen gezien, als de politie dat had geweten…”

In de hete dampen, het lawaai van machines en de stank stonden de meisjes op een krukje om over de rand van de kuip te kunnen reiken. Met hun handjes moesten ze de vuile habijten en onderbroeken uit het hete water halen en schoon schrobben. „Elke dag vielen er wel meisjes flauw. Dan kwamen de nonnen. De een pakte zo’n huilend kind in de kraag, tikte haar tegen het gezicht; de ander zette een knie in haar rug.”

Het waren hardvochtige Duitse nonnen. In de regel sloegen ze met rietjes. In het gesticht gold een ijzeren tucht. Voordat ze mochten ontbijten stonden de meiden in de refter stil achter hun stoel. Dan schreed moederoverste, zuster Clothilde, naar haar troon. De meisjes zeiden in koor Guten morgen meine Mutter. Zonder verder enig geluid te maken, moesten ze gaan zitten. Praten was verboden.

José: „Op een dag zag ik meelwormen drijven in de havermoutpap. Ik zei: ‘Dat eet ik niet’ en ik stond op. Van alle kanten kwamen er nonnen. Ik moest het opeten. De jonge meisjes keken ervan op dat ik dat durfde te weigeren. Het tafereel eindigde met de komst van een non met een grote bos sleutels. Ze sloot mij op in een hok bij de slaapzalen. Dat waren de cachotten. Daar heb ik een week gezeten, met een emmer voor mijn ontlasting en een plankje aan de muur om op te zitten. ’s Avonds was er een bed met een strozak. Ik heb uren gehuild.”

De wasserij mocht ze later verruilen voor de naaizaal. Eerst zat ze met andere meiden achter industriële machines voor de confectiebedrijven. Op de zaal mocht niet gepraat worden, het was zwijgen of heiligenliedjes zingen, en altijd productie maken. José: „De nonnen zagen dat ik meer kon. Toen ben ik in een naaiatelier terechtgekomen. Daar maakten we de speciale opdrachten die de nonnen aannamen van particulieren. Trouwjurken, mantelpakjes en japonnen. De klanten zagen we nooit, en de klanten zagen ons nooit. Als er gepast moest worden, liepen twee zusters heen en weer.”

Veel meisjes zijn ziek geworden. Het eten was er na de oorlog slecht en vies. Er heerste tbc, weet José. „Een meisje heette Fientje, een lachebekje. Die was een stuk jonger dan ik. Ze was erg zwak, buiten was het koud, maar Fientje moest van de nonnen haar verplichte tuinwandeling maken. Ik hield haar stevig vast. Achter de schuur stonden de doodskisten. Toen we daar langs kwamen, bleef ze bij een kleine kist staan en vroeg: ‘Zou ik daar in passen?’ Een week later lag ze erin.”

In de bijna vier jaar dat José in Almelo vast zat, kwam niemand bij haar op bezoek. Toen ze eenentwintig werd, stopte haar vader met het betalen van kostgeld. Op 5 juni 1951 tikte een non haar op haar schouder. Ze moest mee naar de voorkant van het gesticht. José vertelt dat ze van niets wist. Op weg naar de uitgang hoorde ze de non zeggen: „Je vader betaalt niet meer dus kun je niet blijven.” Bij de voordeur stond een andere non. Die gaf haar een koffertje. José: „Ik zou naar het station worden gebracht, naar de trein naar Maastricht. In het koffertje zat een lichtblauwe jas, een jurk, wat ondergoed en een paar schoenen. En reisgeld, een briefje van 25 gulden. Na vier jaar slavenarbeid moest ik het daar mee doen.”

In Maastricht belandde ze op een kamertje, leerde een jongen kennen, trouwde en kreeg vijf meisjes. Ze volgde avondlessen, haalde een horecadiploma en begon een café in het dorp Sint Pieter, net buiten Maastricht. „Ik heb heel hard gewerkt voor mijn kinderen zodat zij konden doorleren. Later heb ik ze mijn geschiedenis verteld. Ze geloofden mij eerst niet, maar inmiddels dragen ze me op handen.”

    • Joep Dohmen