Recensie

In alles grillig en excentriek

J.A. dèr Mouw (1863-1919)

Na een paar mislukte zelfmoordpogingen vond de dichter en classicus Dèr Mouw uiteindelijk zielenrust in de mystiek, het brahmanisme en de poëzie.

J.A. dèr Mouw Foto uit besproken boek

J.A. dèr Mouw is de dichter van dat grappige gedicht over het geloof waarmee hij als kleine jongen opgroeide. Het simpele geloof dat leerde: ‘Gods wijze liefde had ’t heelal geschapen.’ Daardoor was alles in de wereld altijd perfect geregeld. God zorgde ervoor dat het altijd net lente was als de appelbomen gingen bloeien. Er was altijd groen gras als het vee wilde grazen. En er stonden altijd doperwtjes en knolrapen op het land als de mensen doperwtjes en knolrapen wilden eten. Mooier kon je het niet hebben. ‘Hij schiep kaneel, kruidnagels, appelsientjes, / het ijzer voor de ploeg, het hout voor huizen, / Hij schiep het zink voor waterleidingbuizen, / en ’t goud voor ringen, horloges en tientjes.’

Dèr Mouw is ook de dichter van het gedicht waarin hij wil vertellen dat hij nu zijn zielenrust in het brahmanisme heeft gevonden, maar er is een probleem: ‘’k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.’ En van dat gedicht over het verlangen om nog één keer jong te zijn: ‘ja, ja, stompzinnig ergens in de Nes / met dronken prolen slaan de boel kapot, / dan met een meid naar bed, en van genot / schreeuwen en schreeuwen doen, een keer of zes.’ Maar ook van een lange reeks intieme gedichten over zijn jeugd – gevoelig en naturel, vanuit het perspectief van een kind geschreven. En van nog tientallen andere, iets minder bekende, maar minstens zo bijzondere gedichten.

Het had niet veel gescheeld, of het hele dichterlijke oeuvre van J.A. dèr Mouw was onbekend, en zelfs ongeschreven gebleven. Het merkwaardige van zijn dichterschap is dat het pas heel laat, na zijn vijftigste, op gang kwam – maar toen dan ook in een hoog tempo – en dat hij pas heel laat, vlak voor zijn dood, besloot om er een uitgever voor te zoeken. Zijn debuut heeft hij zelf niet meer meegemaakt.

Het had ook niet veel gescheeld of Dèr Mouw was er rond 1912, voordat hij begon te dichten, helemaal niet meer geweest. Hij bevond zich toen in een diepe geestelijke crisis. Hij was verliefd geworden op een veel jongere leerling die een tijdlang bij hem en zijn vrouw in huis woonde: Victor van Vriesland. Maar de liefde was niet wederzijds. Het was niet de enige reden, maar hij belandde in een maandenlange diepe lethargie. Hij dook ook een tijdlang onder in Amsterdam en leidde daar een geheimzinnig leven, aan de zelfkant, met louche types en suggesties van handel in witte slavinnen, smokkel, drank en verdovende middelen. Hij moet toen op het punt hebben gestaan zichzelf van het leven te beroven.

Daarmee herhaalde zich ongeveer wat zich in 1904 ook had voorgedaan, in Doetinchem, waar hij les gaf op het gymnasium. Hij verzette zich tegen een duidelijk geval van examenfraude. De zaak was gecompliceerd omdat hij ook toen verliefd was op een leerling, die ook nog eens de zoon was van de rector en daardoor in het conflict niet de kant van zijn leraar kon kiezen. Ook toen deed Dèr Mouw een zelfmoordpoging. Twee zelfs.

Dit zijn maar een paar van de hoogte- en dieptepunten in het grillige leven van Dèr Mouw – behoorlijk spectaculair toch voor een man die vooral een kamergeleerde was. Hij was, behalve een dichter die het grootste deel van zijn leven helemaal geen dichter was, een briljant classicus, en wiskundige, en filosoof. En hij was een vat vol tegenstrijdigheden. Hij was bij zijn leerlingen zeer geliefd. Hij was erg betrokken bij hun wel en wee - volgens sommigen te veel. Was dit ‘een vorm van pedagogische eros’? Of homofilie? Of pedofilie? Maar hij viel ook op uiterst vrouwelijke vrouwen. Met zijn vrouw had hij intussen de afspraak dat ze in hun huwelijk zouden afzien van elk seksueel contact.

Het is maar een voorbeeld waaruit blijkt dat Dèr Mouw een gecompliceerde persoon is geweest. Hij was in alles authentiek en origineel, en dus ook wel eens onaangepast en inconsequent. Hij was uitzonderlijk intelligent en, dus, vaak eenzaam. Hij voelde zich ‘alleen in wervelende wereld’, waarvoor hij pas heel laat een oplossing vond: in het brahmanisme, de mystiek en de poëzie.

Lucien Custers (1963) heeft alles wat er maar over Dèr Mouw te vinden viel verzameld in een van begin tot eind boeiende en goed geschreven biografie, waarin nergens eenzijdige of overhaaste conclusies worden getrokken. Het enige rare is dat hij nu juist de gedichten van Dèr Mouw nauwelijks bij zijn levensbeschrijving betrekt. Daar is hij duidelijk een beetje huiverig voor. Het is alsof hij wil zeggen: hier zijn alle objectieve biografische gegevens, de rest moeten jullie zelf maar uitzoeken. Dat kan nu, in een tegelijk verschenen nieuwe en erg ruime bloemlezing, samengesteld door Jan Kuijper.

    • Guus Middag