‘Ik werd wakker in het strafhok’

Lily Habets (1945) zat opgesloten bij de zusters in Almelo van 1961 tot 1962.

Foto Merlijn Doomernik

Een mijnwerkersgezin met zestien kinderen was in de jaren vijftig toch wel een bijzonderheid in de Kerkraadse wijk Kaalheide. Zeker omdat duidelijk was dat de kinderen het zwaar hadden vanwege huiselijk geweld.

Elke paar jaar belden de dames van de voogdij aan om weer een paar kinderen naar tehuizen te brengen. Lily Habets (73) was twaalf toen het haar beurt was.

Zo begon in 1957 haar reis langs instellingen van de Rooms-Katholieke Kerk. Instellingen die luisterden naar namen als Klein Bethlehem, Mariënwaard, Sint Vincentius en de Goede Herder. Het probleem met Lily was dat ze telkens wegliep. „Ik begreep maar niet waarom ik niet meer naar huis mocht”, zegt ze.

Lily werd van het ene tehuis naar het andere tehuis gebracht. Telkens waren de muren hoger en was ontsnappen moeilijker maar niet onmogelijk, zo zou blijken. Na alweer een uitbraak (een dag voor ze zestien zou worden) moest het wegloopmeisje naar de Zusters van de Goede Herder in Almelo. Dat gold als het Siberië onder de meisjesgestichten. Op weinig andere plekken waren de muren hoger, was het prikkeldraad scherper en het regime strakker. Almelo werd gerund door Duitse nonnen.

Lily was goed en wel geïnstalleerd bij „die vreselijke nonnen” toen iemand de poort liet openstaan. Weg was Lily. Op de Vriezeveenseweg zag ze een jongen op een brommer aankomen. „Mag ik met jou mee”, vroeg ze. ‘Waarom niet’, zei de jongen. ‘Spring maar achterop.’ Lily was een mooie meid.

Twee dagen was ze in vrijheid bij de brommerjongen en zijn moeder, toen de politie voor de deur stond. Wat er daarna gebeurde, houdt haar al een heel leven bezig. De nonnen stelden haar ten toon voor de bijna honderd meisjes in de eetzaal. „Ik werd voor schut gezet voor de hele zaak.” Op de gang trok ze boos de kap van het hoofd van een non die haar zou gaan opsluiten. Voor ze het wist lag ze op de grond en zaten er drie nonnen op haar. „Eentje stak een spuit in mijn bil. Ik werd wakker in het strafhok.”

Lily moest verplicht naaiwerk doen in Almelo. Elke dag kroop ze achter dezelfde Singer-naaimachine om delen van pyjama’s, operatieschorten en wat al niet te stikken. Het was productiewerk, dus ieder deed een stukje van het geheel. De dagen waren lang en praten mocht niet. Met één meisje schreef ze stiekem briefjes die ze vlug opaten als een non in aantocht was. Die vriendin heette Hanny. „We hebben elkaar nooit meer losgelaten. Zijn nog steeds beste vriendinnen.”

Na een jaar en acht maanden mocht ze weg. Via instellingen in Eindhoven en Heerlen keerde ze terug naar Eygelshoven. Daar trouwde ze en kreeg ze een zoon en dochter. Haar huwelijk was een ramp. Zij was mooi, hij jaloers. Op een dag sloeg hij haar bijna dood. Hij kreeg zes jaar cel en een scheiding toe. Daarna was er een man die dronk en vreemdging. Ondertussen bleven die nonnen maar rondspoken in haar hoofd.

Lily wil wel toegeven dat haar leven „bewogen” was. „Maar één ding schiet er positief uit. Met mijn kinderen heb ik een goed contact. Zij zijn alles voor mij. Ze zijn mijn leven en mijn wereld. Ik had mij namelijk voorgenomen: wat met mij gebeurd is, zal ik mijn kinderen nooit aandoen.”

Luister ook naar een interview met Lily Habets:

    • Joep Dohmen