Recensie

Iedereen in Angola droomt ineens hetzelfde

‘Ik geloof niet dat geweld bevrijdend kan zijn’, zegt Daniel Benchimol, hoofdpersoon van de nieuwe roman van de Angolese schrijver José Eduardo Agualusa al in het begin van Het genootschap van onvrijwillige dromers. ‘Ik geloof dus niet in bevrijdingsoorlogen.’ Denkt hij dan dat de Portugese kolonialisten ook zonder geweld waren opgestapt, wil zijn gesprekspartner weten. Dat denkt Benchimol inderdaad. En: ‘Wat je met geweld bereikt, blijft vergiftigd door dat geweld. Kijk maar wat er daarna is gebeurd.’

Met zulke opvattingen maak je je niet populair in een land waar de machthebbers zichzelf met een beroep op diezelfde bevrijdingsstrijd legitimeren. Benchimol moet dat aan den lijve ondervinden. Zijn huwelijk met de dochter van een van de rijk geworden potentaten gaat eraan, net als zijn journalistenbetrekking. Je hangt de vuile was niet buiten, zeker niet in een krant van de oude koloniale mogendheid, zegt zijn schoonvader. Om zijn schoonzoon ontslagen te krijgen, koopt hij achteloos de hele krant op.

Dat Agualusa er net zo over denkt als Benchimol mag je op grond van een roman niet concluderen, maar waarschijnlijk is het wel. Roman na roman beschrijft hij het land dat getraumatiseerd en gedemoraliseerd raakte door een bevrijdingsoorlog, gevolgd door een stammenstrijd en tenslotte een kleptomane dictatuur. Het leverde hem de Internationale Literaire Prijs van Dublin op voor zijn vorige roman Een algemene theorie van het vergeten (2015), een bont netwerk van grote en kleine verhalen die perfect in elkaar bleken te passen.

In Het genootschap van onvrijwillige dromers lukt Agualusa dat minder goed. Aan zijn fantasie ligt het niet. Een man die regelmatig opduikt in de dromen van de mensen om hem heen en gerekruteerd wordt door de Cubaanse geheime dienst, die er wel brood in ziet rond te kunnen lopen in andermans hoofd: dat kun je nog lezen als een parodie op de gedachtenpolitie. Wanneer diezelfde man tenslotte tegelijkertijd in íéders droom opduikt en daarmee een opstand ontketent, wordt het al wat lastiger te geloven en botst Agualusa’s politieke realisme op zijn magische metaforiek.

Als aan het eind ook de stijl het laat afweten in een wat kinderlijke onbeholpenheid, verliest de hoopvolle boodschap aan kracht. Profetisch was hij immers wel, zo tekent de vertaler Harrie Lemmens in zijn nawoord aan: kort na de verschijning van het boek kwam het Angolese bewind ten val en leek er een betere politieke toekomst te dagen. Misschien wordt Agualusa’s droomthematiek gedragen door de hardnekkige overtuiging dat geloof in verandering bergen kan verzetten. Dat is een sympathieke gedachte, maar ze leidt niet vanzelf tot overtuigende beeldspraak of een gave roman.

Wel betoont Agualusa zich opnieuw een haarscherp en kritisch analist van de Angolese werkelijkheid en jongste geschiedenis. Alweer weggegleden uit het westerse krantenlezersbewustzijn, zigzagt het land tussen oude trauma’s en nieuwe rijkdom, die (minstens tot voor kort) alleen een kleine elite ten goede kwam. Aan die tragedie, bespookt door het geweld uit het verleden, weet Agualusa als geen ander te herinneren. Literaire tekortkomingen steken daarnaast maar bleekjes af.

    • Ger Groot