Recensie

Hoog gniffelgehalte bij de nepdieren van Weve

Kinderboek Illustrator Sylvia Weve maakte een boek over net niet bestaande dieren. Lichte overdrijving en luchtige uitvergroting die het resultaat zijn van een ongebreidelde doldwaze fantasie, dat is haar gave.

Sylvia Weve (1954) haalt haar inspiratie vooral uit andermans verhalen. Zo’n tweehonderd (kinder)boeken illustreerde ze al, waarvan de titels die ze met Bette Westera maakte (zoals Aan de kant, ik ben je oma niet!, Doodgewoon) tot de succesvolste behoren. De vele opdrachten en hoge productie betekenen wel dat het maken van eigen prentenboeken er meestal bij inschiet. Dat is jammer: haar volledig eigen, met een Vlag en Wimpel bekroonde Kip en ei (2006) is een geslaagd en visueel aantrekkelijk boek. En het net verschenen Logboek van tot nu toe onbekende dieren ademt zoveel plezier – plezier dat Weve overduidelijk gehad moet hebben tijdens het scheppen van de vierentwintig, humorvolle nonsenswezens – dat je zou wensen dat ze vaker, ongehinderd door doelgroepen, toegeeft aan haar experimenteerdrift.

Fictieve non-fictie

Niet dat het boek geen kleine onvolkomenheden kent. Waarom bijvoorbeeld is Weves door de uitgever meegestuurde losse uitleg voor boekhandel en pers over haar vondst van het logboek naast een vuilniszak in Ootmarsum, niet als inleiding gebruikt? De tekst is weliswaar summier, toch versterkt deze de suggestie dat het om een oorspronkelijk manuscript gaat. Nu moet de lezer het doen met een ogenschijnlijk op de cover geplakt vodje, waarop ‘ter hand gesteld door Sylvia Weve’ staat. Dit idee van fictieve non-fictie, of non-fictieve fictie is natuurlijk ook niet nieuw. Onder andere Harm de Jonge en Fiel van der Veen gingen haar voor met Tjibbe Tjabbes wereldreis (2008): een gefingeerd scheepsdagboek en onvoltooid handboek van uitzonderlijke beesten, en meer een verhaal dan Weves logboek.

Maar voor een verhaal moet je ook niet bij Weve zijn. In het bedenken daarvan ligt mijn talent beslist niet, bekende ze ooit in een Volkskrant-interview. Lichte overdrijving en luchtige uitvergroting die het resultaat zijn van een ongebreidelde doldwaze fantasie, dat is haar gave. Bovendien beheerst ze de kunst van het associëren. In haar logboek levert dat geestige verbanden op tussen de op alledaagse dingen geïnspireerde expressieve, kleurrijke dierillustraties - gemaakt met pen penseel en inkt - en de speelse uitleg, alsook goedgevonden taalgrapjes en dubbelzinnigheden.

Zo blijkt dat de ‘Bestia Munda Magnus’ (potjeslatijn voor het Werelddier – een struisvogel met drakenkop en buik als wereldbol) is geëvolueerd van een platte naar een ronde versie, en is ze tegenwoordig zo geliefd dat er een speciale dag naar haar is genoemd. Spitsvondig zijn ook de Aranea Mater (Moederspin), die niet spint maar breidt, en de jongen van de Cenrus Brassicus Albus (Witte Kooltjeshert), die men ‘spruiten’ noemt en ‘net als kleine kinderen behoorlijk kunnen stinken’. En mooi is de vondst (door Weve ingefluisterd) van de naam van de logboekschrijver: Richard Laurence was Weves echtgenoot, die, toen hij in Frankrijk overleed, door vervoerder Van Heden naar uitvaartcentrum Elders werd gebracht.

Vrolijke parodie

Weve kan het gelukkig niet laten soms licht te provoceren. Daardoor heeft het boek een hoog gniffelgehalte en leest het als een vrolijke parodie op de cryptozoölogie. Zo vertelt ze bij de Volarus Assicarus (de Lapse Vlieger, die een op een theedoek gelijkend verenkleed heeft) over diens herkomstland Lapland dat men beweert dat de Kerstman daar woont. Maar dat dat natuurlijk onzin is, omdat die niet eens bestaat, met daarnaast een doorgekrast, boos kijkend kerstmannengezicht. Ook geestig is het verschil in verschijning tussen het mannetje en vrouwtje van de Rode Steltloper. De een snel (een omgedraaide bergschoen met kapotte neus op lange poten), de ander langzaam, omdat ze op haar kop moet lopen, een hooggehakte laars.

Kortom, Weve maakte een heerlijk, verbeeldingsrijk salontafelboek. Niet om een kop koffie op te zetten – hoewel je dat gerust kunt doen want Weve heeft het toch al vakkundig besmeurd vanwege de logboeksuggestie – maar om lekker in te grasduinen.

    • Mirjam Noorduijn