„Het was bidden en hard werken om boete te doen. Maar waar moest ik voor boeten?”

Karin Adelaar (1948) zat opgesloten bij de zusters in Zoeterwoude van 1960 tot 1963.

Foto Merlijn Doomernik

Het eerste cadeautje in haar leven was een boek. Karin Adelaar (69) kreeg het op haar twaalfde verjaardag. Ze was net aangekomen bij de Zusters van de Goede Herder in Zoeterwoude. Zuster Pia had het boek opgestuurd vanuit het kindertehuis in Santpoort, waar Karin eerder was. „Zuster Pia was een goed mens. Santpoort was ook de enige plek waar ik niet ben uitgebuit.”

Als Santpoort de hemel was, dan waren Driehuis, Zoeterwoude en Stevensbeek de hel.

Ze belandde bij de Goede Herder nadat ze in het kindertehuis van de Zusters van de Voorzienigheid in Driehuis had verteld over de pater die vieze dingen deed met haar. De zaak liep hoog op, tot aan de kardinaal in Utrecht. „Toen werd er gezegd: ’Dat kind heeft een grote fantasie’. Daarna ben ik overgeplaatst, via Santpoort, naar de Goede Herder.”

Naar school gaan was er niet meer bij in Zoeterwoude. Het kind van twaalf werd ingezet in het industriële arbeidsproces. De zusters zelf spraken over „groepstherapie”. Karin moest in de wasserij zeulen met zware emmers. Elke keer twintig liter bloedheet water voor de waskuipen. Als ze viel, werd ze uitgelachen en bestraft.

Als ze niet met emmers moest slepen, dan was ze op de strijkafdeling. „Daar stonden tientallen strijkbouten op de grote kachel. Allemaal bloedheet. We streken en wasten voor rijke mensen, bedrijven en onder meer priesters. Een meisje kreeg eens zo’n strijkijzer op haar arm. Haar huid liet los en het bloedde hevig. Maar een dokter kwam er niet bij. Nu ik erover nadenk, ik heb als kind nooit een arts gezien.”

De kilheid van de nonnen is haar bijgebleven. Geen genegenheid, geen arm om je heen. Dan kwam je te dicht bij elkaar. „Het was bidden en hard werken om boete te doen. Maar waar moest ik voor boeten? Sinds mijn geboorte zat ik in tehuizen. Ik had niets misdaan.”

In Zoeterwoude verbleef Karin drie jaar. Toen ze weg moest, kreeg ze een koffertje met wat kleren en een treinkaartje. Haar nieuwe ‘moeders’ werden de zusters van Stevensbeek, in Limburg. Het was in 1963, het jaar dat ze vijftien werd.

Stevensbeek overtrof de Goede Herder nog, vindt Karin. „Die nonnen waren genadeloos. Dat meen ik uit de grond van mijn hart.” Ze heeft geen leuke jeugd gehad, wil ze maar zeggen. Het mag van haar bekend worden.

Luister ook naar een interview met Karin Adelaar:

    • Joep Dohmen