Foto Frank Ruiter

Guus Meeuwis’ liedjes blijven hetzelfde, alleen hij verandert

Lunchinterview Guus Meeuwis (46) is de nieuwe ambassadeur voor Unicef. Eindelijk heeft hij tijd voor een lunchinterview. „Het blijft gek dat een wildvreemde je het hemd van het lijf zit te vragen.”

In 2016 had ik al eens gevraagd of hij wilde lunchen, in 2017 weer. Steeds was er, vond ik, een uitstekende aanleiding om af te spreken met Guus Meeuwis. Voorafgaand bijvoorbeeld aan zijn concertreeks Groots met een zachte G. Elk jaar in juni. Drie avonden. Bomvol Philips Stadion in Eindhoven. Zomercarnaval, noemt Guus Meeuwis’ entourage het. Een geuzennaam voor wat sinds 2006 is uitgegroeid tot het grootste muziekevenement ooit van een Nederlandse solo-artiest. Het Brabantse feestje is een exportproduct. Meeuwis stond ermee in het Abe Lenstrastadion in Heerenveen en de Royal Albert Hall in Londen. En overal wordt zijn liedje Brabant meegezongen als was het een volkslied van alle provincies, de zachte g net zomin een bezwaar als het platte André Hazes-Amsterdams.

Het vijftigste stadionconcert. Twee miljoen bezoekers. Een wintershow in Amsterdam. Eerste keer optreden op Pinkpop. Maar tot een afspraak kwam het niet. Guus Meeuwis bleek van koken te houden. Hij opende (pop-up) restaurant, Gustaaf. Schreef een kookboek, Het lekkerste van Guus en Dick, met vriend en sterrenchef Dick Middelweerd. Worstenbroodje?, mailde ik zijn management. Lunchen in een sterrentent misschien? Maar nee. In mei dit jaar verscheen zijn nieuwe album, Geluk. Zijn meest persoonlijk plaat tot nu toe, werd gezegd. Geschreven in Nashville, Tenessee. Hij zingt over zijn scheiding (van Valérie, met wie hij vier kinderen heeft) en over hervonden geluk (bij Manon Meijers, al tien jaar zijn styliste). Nu ging de deur op een kiertje. Er was een persdag, waarop alle media even met hem konden praten en ik dus ook. Geen tijd voor een lunch, liever geen foto („Fotografie is niet Guus’ favo bezigheid”), en kan het anders ook telefonisch?

Luister hier het nieuwe album van Guus Meeuwis.

Wil ik soms beweren dat Guus Meeuwis onbenaderbaar is? Een te grote ster voor een bescheiden etentje? Nee hoor. Hij wordt goed afgeschermd, dat wel. En daarvoor heeft hij zijn eigen mensen in dienst, bij zijn eigen managementbureau. Dat is al zo sinds The Entertainment Group, die hem (en Marco Borsato) vertegenwoordigde, failliet ging. Modestus heet zijn management, Latijn voor bescheiden, en zijn derde doopnaam (hij is vernoemd naar de stichter van het klooster in Mariahout, waar zijn ouders tijdelijk woonden toen hij werd geboren). Zijn concerten, evenementen en theatershows regelt hij in eigen beheer, en sinds dit jaar bestiert hij ook zijn eigen platenmaatschappij.

En toen kwam er van zijn kant een uitnodiging. Of eigenlijk van Unicef. De Nederlandse tak van de VN-kinderorganisatie en de zanger hadden al twee jaar plannen, maar nu was het dan officieel: Guus Meeuwis werd Unicef-ambassadeur. En toen kon alles. Foto, anderhalf uur de tijd en zelfs lunchen, en het hoefde niet eens uitsluitend over Unicef te gaan. Dat alles speelde zich af bij museum de Hermitage in Amsterdam, waar speciaal voor de bekendmaking ruimte was gereserveerd. Waarom ik de hele voorgeschiedenis vertel? Misschien vooral om te laten zien dat er wat nadelen kleven aan zo’n Heel Bekende Nederlander. Om die te spreken te krijgen is één, maar om die áán het spreken te krijgen is nog veel lastiger.

De minder mooie kant gezien hebben

Na de ochtendsessie – en nog een snelle sigaret in de museumtuin – nemen we plaats in het gereserveerde hoekje van het museumrestaurant. En vergis ik me nou, of is hij een tikkeltje nerveus? Hij is net anderhalve dag terug van zijn eerste Unicef-reis, zegt hij. Hij was drie dagen in Zuid-Afrika. Eerst in een ziekenhuis waar met hulp van Unicef de kindersterfte is gehalveerd. Daarna naar zogeheten Safe Parks, een soort voor- en naschoolse opvang voor kinderen die nergens anders veilig kunnen verkeren. Wel kort, zeg ik, drie dagen. Hij knikt. „Heel kort.” Hij is vrijwel meteen na zijn laatste zomerconcert op het vliegtuig gestapt en nu zit zijn agenda tot na de zomerconcerten van volgend jaar weer vol. Was hij al eens in Zuid-Afrika geweest? „Eén keer. Voor Studio Sport, met het WK voetbal.” Maar toen zag hij, zegt hij snel, een glanzend Afrika. „Ik vond dat ik de andere, minder mooie kant ook gezien moest hebben voor ik mezelf ambassadeur noemde.” Hij is van plan zijn rol minstens zo serieus in te vullen als Paul van Vliet dat heeft gedaan, de eerste Nederlander die zijn naam en stem aan Unicef leende. Voor hem was het ambassadeurschap „naast zijn artistieke werk” een „levensvervulling”. Zo staat het op zijn site.

Het draait hier in Nederland vaak om Guus Meeuwis, zegt Guus Meeuwis. „Maar nu even niet. Nu mag ik mijn bekendheid gebruiken om aandacht te geven aan wat aandacht nodig heeft.” Is die bekendheid een last? „Zolang de belangstelling uitgaat naar wat ik doe, is het niet zo erg.” Liever geen aandacht voor wie hij is? „In Nederland valt het reuze mee. Soms is het een beetje onhandig als je ergens met je gezin bent. Maar mensen snappen het best als ik zeg: nu even niet. En als ze het niet snappen, heb ik het in elk geval beleefd gehouden.” Wisten de Zuid-Afrikanen wie hij is? „Nee joh. Ze hebben me vast wel gegoogeld van tevoren. Maar als artiest kennen ze me niet. Ik kom daar als Guus.” En dat is prettig? „Zoals Paul van Vliet altijd zei: het gaat daar niet over Paul van Vliet.” Hij grinnikt kort. „Zoiets zei ik net ook al, maar dan met mijn eigen naam erin.”

Whoóooh, whoóooh, whoóooh, whoóooh

Is dat niet ongemakkelijk? Witte man komt kijken hoe ze het er in Zuid-Afrika vanaf brengen met westers geld? Hij knikt en zegt: „Ik voelde me aanvankelijk een toeschouwer.” Hardop zoekt hij naar het juiste woord. „Maar die verlegenheid… mijn scrupules namen de mensen daar meteen weg. Zo trots zijn ze dat je komt kijken naar wat zij hebben bereikt.” En ja, hij heeft natuurlijk ook nog voor ze gezongen, daar stónden ze op, en zijn gitaar had hij bij zich. Hij zong Je staat niet alleen. Hij neuriet het refrein – whoóooh, whoóooh, whoóooh, whoóooh. „Dat is wel lekker internationaal.” Heel gek, heel eng ook, zo back to basic muziek maken, zegt hij. Buiten het podium zingt hij niet? „Jawel, jawel. In de auto. Onder de douche. En thuis bepalen mijn kinderen meestal de muziek.” Hij heeft drie zoons (17, 12 en 8) en een dochter (15). „Maar papa doet er ook nog toe. Af en toe hoor ik mezelf, dat is wel fijn.” Heeft hij zijn kinderen verteld over zijn reis? Hij denkt even na. „Voor je verhaal was het wel fijn geweest als ik dat had gedaan…” Maar nee. Hij was maar heel even thuis en de kinderen hadden proefwerkweek.

Luister hier naar het nummer ‘Je staat niet alleen’

Ondertussen drinken we kraanwater, en we eten een klein bakje linzensalade met tomaat. Vraag, antwoord, vraag, antwoord. Maar is het een gesprek, als één van de twee zo op z’n tellen moet passen? „Ik ben de enige in de familie die bekend is”, zegt hij. En, even later: „Het blijft gek dat een wildvreemde je het hemd van het lijf zit te vragen.” Gelijk heeft hij. „Ik maak niks anders mee dan andere mensen”, zegt hij. Hij uit zijn perikelen in de drie minuten dat een liedje duurt. Is het dan niet moeilijk, vis ik, om het lied te zingen dat hoort bij een gevoel dat verdwenen is? Zijn allereerste hit bijvoorbeeld, Het is een nacht, schreef hij na een romantische nacht met de vrouw van wie hij is gescheiden. „De oorsprong van zo’n lied gaat nooit weg. Het krijgt na verloop van tijd meerdere ladingen. Steeds ontstaat er een nieuw gevoel.” Het liedje blijft hetzelfde, maar de man verandert? Opgelucht: „Ja, precies.”

Hij was nog student toen hij de tekst schreef, hij won er met zijn band het studentensongfestival in Leiden mee. „Ik heb een keer de eerste zin ingezet. Daarna zongen 35.000 mensen het van a tot z. Zonder mij.” Gek? „Belachelijk, de eerste keer.” Maar het went? „Als zoiets went, moet je stoppen. Ik ben elke keer trots. En dankbaar.” Hij houdt van grote groepen mensen die zingen. „Het gaat nooit vals.” Om meteen te zeggen dat hij het ook geweldig vindt als 400 mensen zingen. Of 40. Of vier. Hem zul je niet betrappen op grootspraak. Zullen zijn fans net zo hard meebrullen met de nummers van zijn album Geluk, die uit de „krochten van zijn lijf” komen? Zullen ze hem, de gezinsman, de vrolijke captain van het zaterdagavondprogramma Ik hou van Holland, de scheiding vergeven? „Ik heb getracht uit te leggen… Ik wilde het voor mezelf uitleggen.” En dan: „Nu raken we wel heel ver van Unicef af hoor.”

Lees ook: Wat de muziekrecensent van NRC schreef bij Guus Meeuwis’ twintigjarig betaan

Waarom wil hij weldoen? „Mijn vader zat in het bestuur van de kerk en van de harmonie. Als je in de gelegenheid, in de positie bent om iets voor een ander te doen, moet je het niet nalaten. Al haal je flessen op, loop je rondjes voor het goede doel, je kunt altijd iets doen. Zo is mijn achtergrond. Met een paar vrienden organiseer ik elk jaar een middag waarmee we geld ophalen voor vijf goede doelen. Dat staat los van mijn bekendheid, dat doet de Tilburg-Guus Meeuwis.”

En nu dacht hij: ik ben 46, ik heb de top bereikt, grotere stadions bestaan er niet, en meer fans zijn er niet, nu is het tijd voor wat anders? „Ik hoop niet dat ik al op m’n top zit. Maar als je bedoelt dat het nu een goed moment was, dan ja.” Hij leunt achterover, ontspannen nu. „Dát was een aardige U-bocht om hier uit te komen.”

    • Rinskje Koelewijn