Dwangarbeid

Opgesloten achter muren moesten duizenden meisjes in wasserijen en naaiateliers van nonnen onbetaald werken. Tot in de jaren 70 toe.

Onderzoek

De meisjes van de Goede Herder

Door Joep Dohmen. 14 juli 2018

Dwangarbeid. In stilte werkten duizenden meisjes gedwongen in wasserijen en naaiateliers van kloosters. Het verwoestte hun jeugd.

De trein bracht haar terug in de tijd.

Lies Vissers (65) had ’s morgens in haar Rotterdamse achterstandswijk de metro genomen naar Centraal. Van daar reisde ze naar Bloemendaal, waar ze in een kwartiertje naar het klooster van de Zusters van de Goede Herder was gelopen. De zusters hadden haar in 1966 als meisje van dertien jaar opgesloten in hun gesticht in Almelo en gedwongen om drie jaar onbetaald voor hen te werken. Nu, 10 oktober 2017, ging ze terug. Om verhaal te halen.

Voor de poort stond Joke Vermeulen (63). Zij was die ochtend door een vriendin met de auto van Emmen naar Bloemendaal gebracht. Joke belandde in 1969, veertien jaar oud, bij de zusters, ook in Almelo. Bijna een halve eeuw later hadden Lies en Joke elkaar op het internet gevonden. Nu streden ze zij aan zij voor erkenning en genoegdoening voor hun dwangarbeid in de wasserijen en naaiateliers.

Ruim honderd jaar lang sloten de zusters meisjes en vrouwen op in zogenoemde ‘liefdesgestichten’ in Almelo, Zoeterwoude, Tilburg en het Gelderse Velp. In mei bleek uit onderzoek van NRC dat het tussen 1860 en 1973 om zeker vijftienduizend vrouwen ging. Ze waren soms prostituee of ongehuwd zwanger, maar meestal wees, verwaarloosd, ongewenst of misbruikt. Tot in de jaren zeventig werden ze, doorgaans tegen hun wil, daar geplaatst door regering, voogdijverenigingen, kinderbescherming of ouders.

De meisjes en vrouwen werden gedwongen te werken. In stilte: praten was tot in de jaren zestig verboden. Het werk in de wasserijen en naaiateliers was een industrieel verdienmodel. De opdrachten kwamen van textielfabrieken, confectiewinkels, hotels, ziekenhuizen, de lokale katholieke bourgeoisie, de kerk en de overheid. Hoge muren omgaven de gestichten. Wie ontsnapte, werd opgespoord en teruggebracht door de politie.

Duizenden kinderen verknald

Ik maak me sterk voor ál die vergeten vrouwen die als meisje opgesloten zaten om gratis voor de nonnen te werken

Kloosterdirecteur Hubert Janssen heette Lies en Joke die ochtend vriendelijk welkom. Hij liet hen met een kop thee plaatsnemen in de voorkamer van de voormalige rectorswoning. Aan de muren hingen religieuze parafernalia. Pronkstuk was een schilderij van de heilige Maria Euphrasia, stichteres van de zustercongregatie.

Ooit was Janssen (56) gemeenteambtenaar. Door het geloof gegrepen ging hij op latere leeftijd theologie studeren. Na elf jaar ziekenhuispastoraat werd hij in 2010 directeur van het klooster in Bloemendaal. Een klooster zonder nonnen, inmiddels. De laatste acht hoogbejaarde zusters zijn naar een verzorgingstehuis gebracht.

Eenmaal binnen zei Joke maar meteen dat ze het niet alleen voor zichzelf of voor Lies deed. „Ik maak me sterk voor ál die vergeten vrouwen die als meisje opgesloten zijn om gratis voor de nonnen te werken. Ze hebben mij verknald, ze hebben Lies verknald, ze hebben duizenden kinderen verknald. Ik wil horen dat het nooit had mogen gebeuren en dan gaan we praten over de schadeloosstelling.”

Lies: „Het gaat om rechtvaardigheid. Als je werkt, moet je betaald worden. Slavenarbeid is in 1863 afgeschaft.”

Ik zal er niet omheen praten. Ik wil horen dat het nooit had mogen gebeuren en dan gaan we praten over de schadeloosstelling.

Het was een emotioneel gesprek, blijkt uit een heimelijke opname die Lies en Joke gemaakt hebben, en waarvan NRCeen kopie heeft. Soms troost Joke Lies, en Lies op haar beurt Joke.

Ze vertelden hoe ze, na een kindertijd in probleemgezinnen, in Almelo belandden. Daar zat Lies achter een industriële naaimachine. Ze beschreef de vier naaizalen, die niet toegankelijk waren voor buitenstaanders. In de kleine zaten vijf meisjes, in de grote elk zo’n twaalf meiden in rijen achter naaimachines. Ze stikten dwangbuizen van ongebleekt linnen. Als er een order binnenkwam, maakten ze er honderden. De voorgesneden stof haalden de meisjes bij zuster Antonia.

In de herinnering van Lies kwamen ook roze gestreepte damespyjama’s voorbij. En washandjes en handdoeken waar ze het merk Seahorse in moest naaien. Witte verpleegstersschorten. Groene operatieschorten met witte manchetten. Matrashoezen. En korte, bruine jongensbroekjes.

Voor Joke was er een plek achter een trapnaaimachine. Vijf en een halve dag per week handsoppen en handdoeken van Seahorse maken. Ze herinnerde zich hoe zuster Francisca in de gaten hield of het tempo hoog genoeg lag. „Als je even verslapte, spoorde ze je aan.”

Na drie jaar „slavenarbeid” kwamen ze vrij: zonder opleiding, zonder geld, zonder toekomst. Gevangen in de bijstand groeiden hun trauma’s en mislukten hun huwelijken.

Tijdens het gesprek hield Hubert Janssen afstand, maar hij toonde zich niet onbewogen. „Het moet voor u verschrikkelijk zijn geweest.”

Meebetaald aan het landgoed

Het gaat om álle meisjes bij elkaar. Hoeveel geld is er niet binnenkomen?

Janssen vertelde bezig te zijn met het afwikkelen van de laatste zaken van de zusters in Nederland. Een daarvan is de verkoop van het veertien hectare grote landgoed Dennenheuvel rond het klooster in Bloemendaal. Een projectontwikkelaar wil 83 woningen bouwen. De grondverkoop gaat de congregatie miljoenen euro’s opleveren.

Joke: „Aan dat landgoed hebben wij dus meebetaald.”
Hubert Janssen: „Als u dat zo voelt.”
Lies: „Dat vind ik een hele rare opmerking. In hoogtijdagen zaten alleen al in Velp driehonderd meisjes en in Almelo honderd meisjes het hele jaar te wassen en te naaien voor textielfabrieken, winkels en particulieren. Wat denkt u dat door de jaren heen over de ruggen van die meiden is binnengekomen?”
Hubert Janssen: „Ik kan u dat niet zeggen. Ik weet het gewoon niet.”

Na ruim twee uur was het gesprek ten einde. Janssen zou de overste van de zusters in Parijs informeren over de eisen. „En dan moeten we maar met een reactie komen.”

We zitten hier in de hemel. Kijk om je heen, geen non te zien.

Lies en Joke zaten na afloop uitgeblust in café ’t Hemeltje in Bloemendaal. Ze aten een broodje en zeiden tegen elkaar toch enige hoop te hebben dat de zusters over de brug zouden komen. Voordat de trein haar weer naar haar eigen wereld zou brengen, maakte Lies nog een grap. „Joke, we zitten hier in de hemel. Kijk om je heen, geen non te zien.”

Twee weken later kregen Lies en Joke een brief. De zustercongregatie erkende dat zich in het verleden zaken „hebben kunnen voordoen die wij tegenwoordig onacceptabel vinden”. Voor zover de zusters tekort waren geschoten „spijt dat de zusters zeer en bieden zij daarvoor hun excuses aan”. Maar de vordering om alsnog niet-ontvangen loon te ontvangen was „inmiddels geruime tijd verjaard”. Lies en Joke kregen wel hun reiskosten terug, 76,96 euro.

Ook in Ierland hielden de Zusters van de Goede Herder de hand op de knip. Toen in 2013 uit een door de Ierse regering opgezet onderzoek bleek dat ze tussen 1922 en 1996 zo’n tienduizend meisjes en vrouwen in wasserijen hadden uitgebuit, weigerden de zusters een bijdrage aan een compensatiefonds. Daaruit is tot nu toe, ten laste van de overheid, 23 miljoen euro betaald aan 692 slachtoffers. Toenmalig premier Enda Kenny sprak over „een nationale schande waarvoor ik diepe spijt betuig”.

‘Nooit serieus genomen’

Het eindrapport vermeldt echter alleen dat er „meldingen” zijn gekregen over „lange werkdagen waarop hard gewerkt moest worden”

Al sinds 2010, toen in Nederland het kerkelijke kindermisbruik aan het licht kwam, probeerde Lies aandacht te krijgen voor de dwangarbeid bij de nonnen. In 2012 stond ze in De Telegraaf, in 2014 vertelde ze erover in het Rotterdams Dagblad en deed ze haar verhaal in het boek Stil in mij. Lies: „Het leidde tot niets. We zijn nooit serieus genomen.”

Ze belde ook Annemie Knibbe van het Vrouwen Platform Kerkelijk Kindermisbruik (VPKK). Deze lotgenotenorganisatie had zich eerder bij de rechter met succes verzet tegen de vroegtijdige sluiting van de onafhankelijke klachtencommissie voor seksueel misbruik in de Kerk.

Woorden als dwangarbeid, kinderarbeid, naaiateliers, wasserijen, uitbuiting of arbeidstijden komen niet voor in het eindrapport.

Knibbe, die als vertrouwenspersoon de strijd van de slachtoffers ondersteunt, roerde de dwangarbeid aan in haar contacten met de commissie-Deetman. Die commissie bestudeerde, in opdracht van de Kerk, het kerkelijk geweld.

Deetman laat NRC weten ook dwangarbeid te hebben onderzocht. Zijn eindrapport vermeldt echter alleen dat hij „meldingen” had gekregen over „lange werkdagen waarop hard gewerkt moest worden”. Van onderzoek naar de aard en omvang van de onbetaalde dwangarbeid bij de Goede Herder blijkt niets. Woorden als dwangarbeid, kinderarbeid, naaiateliers, wasserijen, uitbuiting of arbeidstijden komen niet voor in het eindrapport. Eerder wijdde een commissie in Ierland 1.182 pagina’s aan de dwangarbeid bij de zusters.

Met bloemen naar Velp

Dáár lagen nog steeds 214 meisjes en vrouwen die gestorven waren tijdens hun verblijf bij de nonnen.

Wat deden Lies en Joke na de weigering van de zusters om een vergoeding te betalen? Ze begonnen een internetforum voor ‘de meisjes van de Goede Herder’. Zo hoorden ze meer verhalen over misstanden. Dat in Velp een meisje verkracht was door de rector, wisten ze al. Nieuw was de getuigenis van een nog altijd getraumatiseerde lotgenote over haar gedwongen abortus in datzelfde gesticht. Ze was als meisje van zestien in 1967 opgesloten omdat ze ongehuwd zwanger was.

In Velp lagen nog steeds 214 meisjes en vrouwen die gestorven waren tijdens hun verblijf bij de nonnen

De abortus zou zijn uitgevoerd door twee nonnen en de dokter. Hij hanteerde het zuigapparaat. Na drie dagen alleen op een kamertje ging ze weer naar de groep. Ze mocht er niet over praten en moest meteen weer aan het werk, vertelt ze. De vrouw wil anoniem blijven. Haar naam is bekend bij de krant.

Iets zei Lies en Joke dat ze naar Velp moesten. De andere gestichten waren gesloopt, maar in Velp was de geschiedenis nog tastbaar. De kloostergangen, de ziekenzaal, de kapel en de begraafplaats. Dáár lagen nog steeds 214 meisjes en vrouwen die gestorven waren tijdens hun verblijf bij de nonnen. Van hen waren er tachtig minderjarig, blijkt uit de ‘Doodenlijst der bijzondere begraafplaats van het liefdesgesticht de Goede Herder Larenstein’ die het Gelders Archief bewaart.

Zondag 21 januari 2018 waren Lies en Joke in Velp. Joke had een dag eerder bij bloemist Acacia Fleur bij haar om de hoek in Emmen twee bossen gekocht. Witte roosjes voor het geaborteerde kind. Kleurrijke tulpen voor alle slachtoffers van de congregatie. Ze had ook gezorgd voor paarse ballonen. In haar tas zat een zelfgeschreven gedicht. Zo werd het die winterochtend een kleine plechtigheid, buiten het zicht van de media. „Dit was iets persoonlijks. Het bleef ons maar bezighouden”, zegt Joke.

‘Gestolen kindertijd’

Het ging over het uitwissen van hun persoonlijkheid, uitbuiting, zwijgen, drogeren bij opstandigheid, gebrek aan hygiëne en opsluiting in strafhokken, soms wel twee maanden lang

Na hun gestrande pogingen om erkenning en genoegdoening te krijgen, zochten Lies en Joke contact met NRC. Dat was een advies geweest van Annemie Knibbe van lotgenotenorganisatie VPKK. Samen met de Wereldomroep had NRC in 2010 het grootschalig seksueel misbruik in de Kerk onthuld. Nu was het tijd om de dwangarbeid te onderzoeken.

De krant vroeg medewerking aan de zusters van de Goede Herder. Per e-mail liet de congregatie weten dat hun archief gesloten zou blijven voor de krant. Een aanvraag voor een interview werd eveneens afgewezen. Ook de Rooms-Katholieke Kerk – het bisdom Rotterdam – weigerde de krant inzage in een dossier. Uit andere bronnen en archieven, en uit gesprekken met slachtoffers, kon de geschiedenis toch goeddeels gereconstrueerd worden.

Het onderzoek – gepubliceerd op 22 mei 2018 – maakte duidelijk dat de dwangarbeid in Nederland in omvang niet onderdeed voor die in Ierland. De publiciteit leidde tot tientallen reacties van voormalige ‘dwangmeisjes’. Bij de VPKK meldden zich meer dan dertig vrouwen. Zij schaarden zich achter een gezamenlijke claim voor onderzoek, erkenning en genoegdoening.

Het onderzoek – gepubliceerd op 22 mei 2018 – maakte duidelijk dat de dwangarbeid in Nederland in omvang niet onderdeed voor die in Ierland.

Bij de krant getuigden 25 vrouwen met verhalen uit een periode die dertig jaar besloeg. Het ging over het uitwissen van hun persoonlijkheid, uitbuiting, zwijgen, drogeren bij opstandigheid, gebrek aan hygiëne en opsluiting in strafhokken, soms wel twee maanden lang. Hun boosheid gold ook de overheid. Die subsidieerde de gestichten, stuurde meisjes ernaartoe en ondernam nauwelijks iets tegen hun uitbuiting. De meeste vrouwen spraken voor het eerst openlijk over wat ze hun ‘gestolen kindertijd’ noemden.

De oudste, José van den Berg uit Maastricht, was 87 jaar. Zij werd in 1947 opgesloten in Almelo. „Die stank, die vreselijke stank.” Als José eraan dacht moest ze nog kokhalzen. Als tiener stond ze jaren in de broeierige wasserij. Badend in het zweet, voorovergebogen in een grote kuip. In haar handen een borstel. Uit de kuip stegen de dampen op van het gloeiende water waarin de vuile was van een heel mannenklooster dreef.

De jongste was Joke de Wilde uit Groningen (57). Ze verbleef tot 1976 in Almelo. Joke maakte het gedwongen naaiwerk nog mee. Het zou allengs worden vervangen door onderwijs en meer vrijheden. Het ministerie van Justitie verbood uiteindelijk in 1978 dat de meisjes verplicht handdoeken en ander goed moesten stikken.

De gesloten deuren en de hoge muren zouden de democratiseringsgolf die door de jeugdzorg ging niet kunnen keren. Bovendien slonk de congregatie. Nieuwe roepingen bleven uit. De gestichten en ander onroerend goed werden voor miljoenen guldens verkocht. Zuster Benedict zou uiteindelijk in 1981 uit Almelo vertrekken, als laatste.

Het bittere eind

Destijds waren hun verhalen afgedaan als onjuist en als anti-roomse propaganda

De vrouwen die zich dit jaar meldden, voegden zich bij lotgenoten die al sinds 1929 getuigd hadden over wat er zich afgespeeld had achter de muren van de Goede Herder. Destijds waren hun verhalen afgedaan als anti-roomse propaganda. De regering had zich vooral afzijdig gehouden. De geschiedenis zou zich herhalen.

De persoon die kon beslissen over het wel of niet instellen van een onafhankelijk onderzoek naar de dwangarbeid was minister Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD). Een week na het NRC-artikel nodigde hij de kerkleiding uit voor een gesprek bij hem op kantoor. Kardinaal Wim Eijk en broeder Bernardus Peeters, namens de Konferentie Nederlandse Religieuzen, maakten hun opwachting. De slachtoffers en lotgenotenorganisatie VPKK kregen geen uitnodiging.

Weer een week later, op 6 juni, tijdens een overleg in de Tweede Kamer, had de minister zijn mening gevormd. Kamerlid Van Nispen (SP) wilde een motie indienen vóór een onafhankelijk onderzoek, maar daar zag Dekker niets in. Dwangarbeid had volgens hem immers al „de aandacht” van Deetman gehad. De minister wist ook dat „in sommige gevallen” schadevergoeding was betaald. Dekker: „Een heel nieuw onderzoek, waar deze motie naar vraagt, wil ik op dit moment in ieder geval ontraden.”

Het onderzoek – gepubliceerd op 22 mei 2018 – maakte duidelijk dat de dwangarbeid in Nederland in omvang niet onderdeed voor die in Ierland.

Van Nispen hield zijn motie aan, in afwachting van een brief van Dekker. Die kwam op maandag 25 juni. Weer was hij tegen een nieuw onderzoek. Vrouwen die „menen” dat ze zijn uitgebuit, stond de weg naar de civiele rechter open. Zij konden zich ook nog melden bij de commissie-De Winter die namens de overheid het geweld in de jeugdzorg bestudeert. Dekker schreef ook dat de Kerk bereid was met de vrouwen „in gesprek” te gaan en „waar mogelijk erkenning en financiële tegemoetkoming te bieden”.

In Emmen stond Joke Vermeulen die maandagavond bij een vriendin in de keuken toen ze hoorde van de brief van Dekker. „Géén onafhankelijk onderzoek”, herhaalde ze zacht door de telefoon. „Vrouwen die menen te zijn uitgebuit? Deetman die het zogenaamd allemaal al onderzocht heeft? De Kerk die bereid is te praten? Ik ben er confuus van. Ik moet even gaan zitten.”

In de flat van Lies Vissers in Rotterdam barstte de bom. Ze had altijd al tegen Joke gezegd: een onafhankelijk onderzoek laten ze niet gebeuren. Dan moet immers de deksel van de beerput. „Nu zegt de minister opeens dat de Kerk bereid is slachtoffers te compenseren. Zolang er maar geen onderzoek komt. Ja, ja. Dekker had een voorbeeld moeten nemen aan de premier van Ierland. Nou, die civiele procedure kunnen ze krijgen. De meisjes van de Goede Herder gaan tot het eind. Het bittere eind.”

175 jaar uitbuiting

De van oorsprong Franse congregatie van de Zusters van de Goede Herder werd in 1888 en 1904 in Frankrijk veroordeeld voor de uitbuiting van kinderen en vrouwen in naaizalen en wasserijen. In Frankrijk kreeg de zaak in 2007 weer aandacht met de film Les Diablesses, de duivelinnen. In Ierland leidde in 2002 de film The Magdalene Sisters tot onderzoek en compensatie van de slachtoffers. Na Ierland volgden meldingen over dwangarbeid in gestichten van de zusters in Australië, Canada, de Verenigde Staten en Duitsland.

In Nederland citeerde dagblad De Tribune al in 1929 Kaatje Coordes. Ze was ontsnapt bij de zusters in Almelo omdat „je van ’s morgens zes tot ‘s avonds zeven achter de machine moet zitten en voor een droog stuk brood nog op je knieën moet vallen”.

In het boekje Misdadig Rooms Nederland (1930) van de Haagse onderwijzer D.J. Broekhuizen vertelde Mien Swart: „Ons werk was: naaien voor grote winkels en strijken, en wassen voor particulieren, waarvoor wij soms tot in de nacht moeten ploeteren en zwoegen. Twaalf uur aan één stuk met als loon: nul, en straf op straf als het niet naar de zin van de zusters was.”

In 1938 beschreef Marie-Louise Doudart de la Grée (1909-1981) in het boek Zondaressen, haar vernederende verblijf bij de zusters. Het Algemeen College van toezicht, bijstand en advies voor het rijks tucht- en opvoedingswezen ging daarna inspecteren. In een brief aan de katholieke minister Carel Goseling (Justitie) meldde het college dat de toestand zoals in het boek beschreven „van jaren her” was. Toch had het gesticht een opvoedkundig systeem dat „niet meer van dezen tijd is”. Het college zag te grote groepen meisjes die te lang zwijgend hetzelfde werk moesten doen en nooit buiten het terrein mochten komen.

Veel lichter werd het regime vervolgens niet blijkt uit krantenartikelen met schrijnende getuigenissen, gepubliceerd in de jaren zestig, zeventig en tachtig. De misstanden werden in 2003 opnieuw belicht door de omroepen VPRO en NCRV.

Reacties

De R-K Kerk: „Waar vrouwen zoals u dat beschrijft leed hebben ervaren door mensen van de Kerk, betreuren wij dat. Er heeft de afgelopen jaren onderzoek plaatsgevonden naar seksueel misbruik en ook naar geweld. De Kerk is steeds bereid om medewerking te verlenen aan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek.”

Kloosterdirecteur Hubert Janssen, namens de Zusters van de Goede Herder: „Wij willen meewerken aan een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, zoals wij hebben meegewerkt aan eerder onderzoek van Deetman cs.”

De commissie-De Winter, die het geweld in de jeugdzorg onderzoekt, laat weten geen onderzoek te hebben gedaan naar de dwangarbeid bij de zusters. De commissie is na de publiciteit „aan het verkennen” of zij alsnog onderzoek kan doen. De congregatie verleent de commissie toegang tot haar archief.

Wie waren de opdrachtgevers?

Het exploiteren van meisjes was een belangrijke inkomstenbron van de Zusters van de Goede Herder. Hun wasserijen en naaiateliers waren concurrenten van gewone bedrijven. Tegelijk lieten deze bedrijven een deel van hun werk goedkoop uitvoeren bij de nonnen, blijkt uit getuigenissen van vrouwen.

Een grote opdrachtgever van de nonnen was confectiebedrijf Stork/Ten Cate in Almelo, eigenaar van het merk Seahorse. De meisjes maakten tot de jaren zeventig onder meer washandjes en handdoeken van Seahorse. Voor lingeriebedrijf Lovable in Zutphen vervaardigden ze in de jaren zestig bh-bandjes. Particulieren gaven opdrachten voor trouw- en doopjurken, mantelpakjes, japonnen en geborduurde tafellakens.

Twee vrouwen vertelden NRC hoe ze in naaiateliers kleding moesten maken en verstellen voor C&A. Een vrouw herinnert zich hoe zij in Zoeterwoude in de jaren zestig Noorse truien van Vroom & Dreesmann afwerkte. Oud-pupillen uit Zoeterwoude, Tilburg en Velp melden in de jaren vijftig babykleertjes en babyslofjes gehaakt te hebben, onder meer voor manufacturenhandel Schröder in Den Haag. Bendien’s Confectiefabrieken in Almelo liet in de jaren dertig een deel van een order van veertigduizend legerhemden bij de zusters maken. Tussendoor hielden de meisjes zich bezig met het inpakken van servetten van het merk Celtona, het vullen van zakjes met kinderpostzegels en het verpakken van koetjesrepen.

Gewassen werd er voor katholieke families. Zoals het gezin Kamphuisen in Velp in de jaren veertig. Juffrouw Leentje, een klein mensje dat al haar hele leven in het gesticht woonde, bracht het schone wasgoed terug. „Ze sjouwde zich te pletter”, herinnert Rosemarie Kamphuisen (86) zich. De meisjes moesten ook wassen voor katholieke instellingen en hotels. Zoals hotel Bordelaise in Arnhem, dat wegens de streng-katholieke eigenaar in de regio bekend stond als ‘het Vaticaan’. Volgens het Erfgoedcentrum voor Nederlands Kloosterleven werden in Velp ook de damasten tafellakens van prinses Margriet gewassen en gesteven.

NRC heeft waar mogelijk de informatie van de vrouwen over de opdrachtgevers gecheckt.

De congregatie zegt dat zij de informatie „niet kan verifiëren en dus ook niet kan bevestigen of corrigeren”.

C&A meldt: „Een onderzoek in ons archief heeft geen enkele indicatie opgeleverd dat C&A betrokken is geweest bij het uitbesteden van werk aan deze zusterorde. We verwelkomen iedere vorm van relevante informatie die licht op dit onderwerp kan laten schijnen.”

Een woordvoerder van het Koninklijk Huis noemt de dwangarbeid „uitermate triest” maar volgens hem bevatten de archieven geen opdrachten aan de zusters.

Redactie
Joep Dohmen, Esther Rosenberg, Joke Mat, Laura Klompenhouwer, Harrison van der Vliet.
Foto’s
Merijn Doomernik.
Fotoredactie
Miriam van ’t Hek.
Audio-interviews
Elze van Driel en Nina van Hattum.
Illustraties
Midas van Son.
Vorm
Koen Smeets met Miriam Vieveen.