„Als we in de tuin wandelden dan zag je die muur met glasscherven, en de hekken”

Thea de Vries (1940) zat opgesloten bij de zusters in Zoeterwoude, Tilburg en Velp van 1954 tot 1959.

Foto Merlijn Doomernik

De dwangarbeid „was bij de beesten af”. Maar Thea de Vries (78) werd er ook sterk van. „Ik heb me leren vermannen.” Dat ze nu met haar verhaal naar buiten komt, is niet zonder reden.

Ze las in mei in NRC over de dwangarbeid van zeker 15.000 vrouwen en meisjes bij de Zusters van de Goede Herder en realiseerde zich dat dit het moment is om haar mond open te doen. „Ik voel het als een rehabilitatie.”

Thea was de oudste van zeven kinderen. Het gezin woonde in Delft. „Mijn vader kwam op tragische wijze om het leven waarna mijn moeder haar kinderen weggaf. Zo noem ik het maar.”

Bij de zusters heeft ze behoorlijk moeten „sjouwen en werken”. Hoewel ze niets misdaan had, werd ze opgesloten. „Als we in de tuin wandelden dan zag je die muur met glasscherven, en de hekken.” Wandelen mocht alleen met z’n drieën. De zusters deden er alles aan om te voorkomen dat er vriendschappen ontstonden. „Ze waren de baas over je en konden alles met je doen.”

Zoeterwoude was Thea’s eerste adres bij de zusters. Toen ze erheen werd gebracht zal ze een jaar of veertien zijn geweest, dus rond 1954. „Als je zo aan de goden wordt overgeleverd stop je veel weg. Wat ik mij herinner zijn de strozakken waarop we sliepen, het vroege opstaan - rond zes uur - en de manden vol aardappels die we dan moesten schillen. Daarna gingen we bidden en ontbijten, en dan ging je naar het ambt.” Dat was de wasserij, de naaizaal of de strijkerij. Praten mocht niet. „Zo leefde je in jezelf, en leerde je in stilte met jezelf te praten.”

Thea stond in de wasserij en de strijkerij. De congregatie deed goede zaken, zegt ze. „Wij waren de gratis hardwerkende medewerksters. De opbrengst ging naar de zusters. Ik maakte overhemden, kragen en manchetten. En ik stond aan de mangel. Daar moesten de lakens en slopen doorheen. We werkten voor mensen en bedrijven uit de regio.”

Thea’s vertrek uit haar „gevangenis” kwam onverwacht. De zusters gaven haar op een dag mee aan een welgesteld katholiek echtpaar. Ze hadden bij de zusters aangeklopt voor een kinderverzorgster. Hij, Henk van der Schoot, was patholoog-anatoom (1925-2012). Zijn vrouw Hilde (1929-2014) was een dochter van Carl Romme, fractievoorzitter van de Katholieke Volkspartij (KVP) in de Tweede Kamer.

„Ik heb het bij hen goed gehad, vergeleken met de zusters. Ik mocht naar toneel- en dansles, en ontving zelfs een salarisje. Maar nadat ik kennis kreeg aan een zeeman uit Bussum was het afgelopen. Met stille trom ben ik verplaatst naar het gesticht van de zusters in Tilburg.”

In Tilburg gold hetzelfde regime als in Zoeterwoude. Thea moest werken op de naaizaal. „Daar haakten we voor een firma die babyjasjes en kindersokjes had besteld. Ik weet niet welk bedrijf dat was. Dat kwamen ze ons ook niet vertellen.”

Daarna moest ze naar Velp, waar ze uiteindelijk zou vluchten. Met Pasen mocht ze een weekeinde naar huis. ‘Nou, Thea veel plezier’, zei de zuster. „Ik ben nooit meer teruggegaan.” Ze regelde een paspoort en ging naar een neef in Zwitserland.

Haar moeder zette Thea op de trein naar Basel. Vandaar ging ze naar Solothurn waar haar neef op het perron stond. Om Duits te leren werkte ze in een banketbakkerij. Later had ze een kantoorbaan. „Daar heb ik nu nog een pensioentje van.”

De opsluiting en dwangarbeid hebben haar getekend. „Het zijn verloren jaren, waarin ik geen opleiding kreeg. Maar erger nog, waarin ik geen eigen persoonlijkheid ontwikkelde. Mij is geleerd te doen wat er gezegd wordt en mijn mond te houden. Later in de maatschappij merkte ik dat. Een weerwoord had ik nooit. Ik deed wat er gevraagd werd. Het is tijd dat ik mijn mond open doe.”

    • Joep Dohmen