„Als je straf kreeg, sloten ze je op in een hok”

Neeltje van Koll-Louwerman (1938) zat opgesloten bij de zusters in Zoeterwoude en Velp van 1951 tot 1959.

Foto Merlijn Doomernik

„Voor een dubbeltje of een snoepje lieten ze mij dingen doen.” Neeltje van Koll-Louwerman was een kind van dertien toen twee mannen haar in 1951 in Enkhuizen misbruikten. Het werd bekend, waarna de kinderrechter Neeltje uit huis plaatste. Ze moest naar Zoeterwoude, naar het gesticht van de Zusters van de Goede Herder. „Mijn misbruikers liepen nog gewoon rond.”

Ze zou eigenlijk naar de zesde klas van de lagere school gaan, maar bij de nonnen hield haar onderwijs op. Neeltje moest werken. „Mijn plek was de rekkamer: achter de hete mangel moest ik het wasgoed opvangen en op rekken hangen.” Het waren lange dagen. Van acht tot twaalf en van half twee tot zes. Loodzwaar voor een meisje van dertien, vertelt Neeltje (80).

Iedere deur ging achter haar op slot. „Ik heb het altijd gezien als een gevangenis voor kinderen.”

Voor haar verblijf betaalde de overheid kostgeld. Daarnaast dwongen de nonnen haar tot werken. Zo kwam er twee keer geld binnen voor directrice Lioba en haar zusters.

Na anderhalf jaar bracht een non haar met de trein naar een ander gesticht van de zusters, in Velp. De volgende zes jaar zou haar plek in het washuis zijn. Er waren dampende bakken met een stinkende soep van vuile was. Haar taak was het om de witte was, die op de chloortafel was geweest, uit te spoelen met koud water en op de droogzolder te hangen. „Ik was klein dus ik moest op de kappen van mijn klompen staan om overal bij te komen.”

Ze herinnert zich de stapels lakens van het deftige hotel Bordelaise in Arnhem en de was van allerlei kloosters, adellijke families en katholieke gezinnen, zoals het grote gezin Monsma in Velp. „Die hadden een zoon die priesterstudent was.” Neeltje waste ook zijn vuile goed. In haar laatste jaar bij de nonnen poetste ze het huis van de familie. Het geld dat ze kreeg moest ze aan de nonnen geven. „Ik wist niet beter.”

In haar spaarzame vrije tijd mocht ze een coupeusediploma halen en later een middenstandsdiploma. Maar dat was naast het werk. Want dat moest af. Praten mocht niet als er gewerkt werd. En als je straf kreeg, sloten ze je op in een hok of kreeg je zes weken stilzwijgendheid. Dan mocht niemand met je praten.

„Geslagen ben ik niet, maar het was een liefdeloze bedoening waarin we werden uitgebuit.” Dat realiseerde ze zich pas later. Wist zij veel hoe het er buiten de hoge muren aan toe ging.

In de perioden dat ze te zwak was voor het washuis, werkte ze op de naaizaal. Daar haakten hele groepen babyjasjes en -slofjes voor manufacturenhandel Schröder in Den Haag, herinnert ze zich. In de naaizaal werden grote opdrachten verwerkt, zoals een order van duizenden rode zakdoeken. De meeste namen van de opdrachtgevers kent ze niet. „Dat werd ons niet verteld.”

Toen Neeltje eenentwintig werd, ontvingen de nonnen geen kostgeld meer voor haar. Ze mocht weg. Aan de poort kreeg ze in haar ene hand een koffertje met een jurk, wat ondergoed en een paar schoenen. In haar andere hand stopten de nonnen een enkeltje Enkhuizen. „Dat was het dan, na zeven jaar hard werken.”

Ze kijkt niet in bitterheid terug, zegt Neeltje. Dat ze nog zo vrolijk in het leven staat, komt vooral omdat ze een aardige man trof, Tom van Koll. Ze trouwden in de zomer van 1964. Tom was de liefde van haar leven. Hij was 1.98 meter, zij nauwelijks 1.60. „Ik was een jonge vrouw die niet wist hoe de wereld werkte. Bij hem kon ik letterlijk schuilen.” Ze had een „geweldig” huwelijk, zegt ze. Bekroond met twee jongens.

Tom overleed op zijn negenvijftigste. Neeltje: „Hij wist van mijn verhaal, maar voor de buitenwereld heb ik het lang verborgen gehouden. Ik schaamde mij rot. Maar nu ben ik een gelukkige en tevreden oude vrouw die haar levensverhaal niet meer verstopt.”

    • Joep Dohmen