Voetbal als beleving wint het van voetbal als kijkspel

Het spel op het WK

Voetbal speelt zich uitsluitend nog af op het middenveld, constateert Auke Kok. Soms werd er wel een half uur niet op doel geschoten. België en Kroatië waren de positieve uitzonderingen.

Nooit eerder zat ik zo vaak tijdens een voetbaltoernooi te gapen als gedurende het WK in Rusland. Of vergis ik me? Als liefhebber ben je waarschijnlijk geneigd de mooiste acties en de beste wedstrijden te onthouden en de rest te vergeten. Bij de vele voorgaande eindronden van EK’s en WK’s die ik van begin tot einde heb gevolgd, zal het mogelijk net zo zijn gegaan. Maar toch, gegaapt heb ik veelvuldig en volgens de statistieken kan dat kloppen.

Sinds het wereldkampioenschap van 1966 is er sprake van geleidelijk aan minder doelpogingen, van minder voorzetten, minder dribbels, minder balveroveringen. Tevens is de zuivere speeltijd afgenomen. Het spel voltrekt zich nu veel vaker op het middenveld dan vroeger en het spel ligt langer stil — al was het maar omdat de voetballers voor ieder pijntje, of schijnpijntje, bijzonder veel zorg krijgen. Alle reden om te gapen dus, tenminste, als je hoopt op het klassieke ‘gaat-ie erin of gaat-ie er niet in?’.

Hij ging er in Rusland overigens even vaak in als in het stenen tijdperk van 1966, volgens de cijfers van databedrijf Opta Sports: daar ligt het niet aan. Goals vielen er ook in Moskou, Sint-Petersburg en Sotsji voldoende. De bal is domweg nog maar weinig te vinden waar hij de neutrale toeschouwer in vervoering kan brengen, in het strafschopgebied.

Kort gezegd schiet de WK-ganger van nu pas als de kans op een doelpunt groot is. En hij doet het meer dan ooit uit spelhervattingen, waarin het — als je het mij vraagt — zwaar overschatte Engeland uitblonk: tot en met de halve finale tegen Kroatië werd het doel negen van de twaalf keer gevonden dankzij corners, vrije trappen en penalty’s. Dat is toch niet leuk meer?

Gebrek aan creativiteit

Ondanks de hysterie in de Engelse media leed het nationale elftal aan een schrikbarend tekort aan creativiteit op het middenveld; sluwe passjes en vlotte combinaties om de vijandelijke defensie te slechten waren schaars, zo niet afwezig. Gaap.

Toch was het in al die volle stadions weer een vrolijke boel, vol uitgelaten fans met patriottisch beschilderde wangen. Spanning was er ook volop. In termen van sfeer, van bezoek- en kijkcijfers was het toernooi een groot succes.

Het WK voetbal 2018 is bijna achter de rug. Het toernooi leverde in Rusland, maar ook daarbuiten, mooie beelden op. Op het veld, op de tribunes, op de pleinen. Bekijk de fotoserie.

Afgaande op al die blije en geconcentreerde gezichten lijkt het weinig uit te maken of de bal eindeloos op het middenveld heen en weer wordt geschoven — het aantal passes per wedstrijd is in de loop der WK’s alleen maar gegroeid — zolang de eigen ploeg maar wint. Zolang de stand maar aanleiding geeft tot carnaval op de tribunes en tot massale beer showers op de pleinen in het thuisland. Voetbal als beleving wint het van voetbal als kijkspel. Je zou het de songfestivallisering van de eindronden kunnen noemen: de liedjes (de handelingen op het veld) zijn vooral een aanleiding om met zijn allen eens lekker uit je dak te gaan.

Krachtens de huidige moraal hebben kleine voetballanden als IJsland en Rusland, maar ook supermachten als Frankrijk, groot gelijk als ze in de verdediging kruipen. De tegenstander, bang voor een snelle counter, zal antwoorden met traag en behoedzaam aanvalsspel — en dan zit je zomaar een half uur naar voetbal te kijken zonder één serieuze doelpoging, naar niets dus eigenlijk. Opwindend misschien voor de fans, genietend van hun kortstondige saamhorigheid, ook wel ‘negentig minuten-nationalisme’ genoemd, maar saai voor de neutrale kijker.

Het valt ook niet mee. Het vroegere ‘antivoetbal’ heet nu ‘realisme’ en als gevolg daarvan moeten de aanvallers zich door defensies zien te wurmen die beter zijn georganiseerd dan ooit. Verdedigen is stukken eenvoudiger dan aanvallen en dat is precies wat de kleine voetballanden laten zien. Gesteund door de veranderde moraal en het toegenomen tactisch inzicht groeperen zij zich slim op de eigen helft.

Bij hun clubs lukt het de aanvallers nog wel zulke tegenstanders te passeren; in hun dagelijkse trainingen hebben ze daar eindeloos op geoefend. De aanvallers en spelmakers van de rijkste Europese clubs, die elkaar blindelings kunnen vinden, zouden iedere verdediging op dit WK verbrijzelen.

Improviseren

In het nationale tricot komt het veel meer aan op improviseren en is het alsof de aanvallers tegen een muur op lopen. Voor individuele acties ontbreekt de ruimte, het samenspel is te weinig ontwikkeld om die ruimte te scheppen. Nivellering is het gevolg. Spanning. De kick van de verrassing. Waar nuchterheid, taakbewustheid en efficiency de boventoon voeren, lijkt het dan ook geen toeval dat dit WK is uitgedraaid op een Europees onderonsje.

Tussen het gapen door heb ik zeker genoten. Vooral België en Kroatië voetbalden in de ouderwetse zin van het woord. Niet koele berekening, maar de lust om naar het vijandelijke doel te gaan was bij deze landen dominant. Sommige passeeracties van Eden Hazard, gedrenkt in techniek en liefde voor de bal, waren onvergetelijk; en de Kroaat Luka Modric, ‘de Cruijff van de Balkan’, was met zijn passing, spelinzicht en hartveroverende inzet een lust voor het oog. Wedstrijden als Spanje-Portugal en Frankrijk-Argentinië waren soms adembenemend en voetballers die het te gemakkelijk opvatten — ja, kwam dat eigenlijk voor? In de Russische warmte is tot de laatste snik geknokt; de ene slijtageslag volgde op de andere en sommige ervaren voetbalmiljonairs liepen zó veel dat ze er spierkramp van kregen.

Dat is allemaal niet zo raar als je bedenkt dat voetbal allang niet meer uitsluitend een bron van vermaak is voor liefhebbers, maar veel meer dan dat, complete naties leven mee. De helden weten dat. De druk is immens. Niemand wil fouten maken omdat een fout in 2018 veel meer landgenoten in verdriet onderdompelt, of tot woede aanzet, dan in 1966. Of dan in, vermoedelijk, 2014. En aangezien de meeste pogingen om bij het andere doel te komen nu eenmaal mislukken, lijkt het soms maar het veiligste niets te ondernemen. De bal angstig heen en weer te schuiven. Te calculeren in plaats van iets origineels te doen. Te reageren in plaats van te ageren.

In dankbaarheid voor de meeslepende wedstrijden die ik wel degelijk heb gezien, zeg ik: alles leuk en aardig, maar van mij mag het clubseizoen weer beginnen.

Auke Kok is auteur van onder meer de voetbalboeken 1974, Wij waren de besten en 1988, Wij hielden van Oranje.
    • Auke Kok